Mest
Mest kan je omschrijven als uitwerpselen van verschillende diersoorten, met of zonder strooisel.
Het gebruik van mest in of op de bodem kan milieuhinder veroorzaken. OVAM is ervoor bevoegd om deze hinder te evalueren en kan indien nodig voorwaarden opleggen, uitgezonderd voor mest van vee.
Het Mestdecreet omschrijft vee als alle dieren die worden gehouden voor gebruiks- of winstdoeleinden (Mestdecreet artikel 3 §8). Het gaat specifiek over runderen, varkens, paarden, pluimvee, schapen, konijnen, geiten, nertsen en vissen (Mestdecreet artikel 27).
Mest van vee die als meststof wordt gebruikt, valt in het Vlaamse Gewest onder de bepalingen van het Mestdecreet. De Mestbank is daarvoor bevoegd. Deze mest wordt niet beschouwd als een afvalstof. De mest van diergroepen die niet zijn opgesomd, zoals insecten of ezels, vallen daarom niet onder het Mestdecreet, maar onder de afvalstoffenwetgeving.
Mest van andere diersoorten en mest vermengd met afvalstoffen is een organisch-biologische afvalstof en valt dus wél onder de bevoegdheid van OVAM.
Naast het Mestdecreet zijn ook de bepalingen van de Verordeningen 1069/2009 en 142/2011 over dierlijke bijproducten van toepassing op mest van landbouwhuisdieren. Een belangrijk aandachtspunt is dat Europese en Vlaamse definities niet helemaal op elkaar aansluiten. Vlaamse teksten spreken eerder over ‘landbouwdieren’, de Europese over ‘landbouwhuisdieren’.
Als mest van vee voor andere toepassingen dan meststof dient, is de afvalstoffenregelgeving van kracht. Ook als de mest verontreinigd is met stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de gezondheid van mens, dier of milieu, is de afvalstoffenwetgeving van kracht.
Naargelang de diersoort waarvan de mest afkomstig is, verschilt de regelgeving. Onderstaande figuur geeft een overzicht van wie bevoegd is welk type uitwerpselen (met strooisel).

Statuut, inzameling, verwerking en gebruik soorten mest
Mest van vissen
Met ‘vissen’ worden ‘gekweekte vissen’ bedoeld.
Mest van vissen valt onder het Mestdecreet en wordt als dierlijke mest beschouwd.
Daarnaast kan ook de Europese regelgeving over dierlijke bijproducten van kracht zijn, want de vissenmest kan naast visuitwerpselen ook resten diervoeder en delen van vissen (schubben, dode vissen) bevatten. Dit noemen we dan eerder slib. Resten van vissen en voeders zijn dierlijke bijproducten. Visvoer kan zowel van plantaardige als van dierlijke oorsprong zijn, maar meestal dierlijk. De mest zelf valt buiten het toepassingsgebied van de Europese regelgeving over dierlijke bijproducten.
De Commissie Dierlijke Bijproducten heeft een standpunt ingenomen over het statuut van vissenmest en de mogelijke bestemming:
- Type 1: kweek in bassins zonder recirculatie van water
In dit geval wordt het slib van het bassin regelmatig weggezogen. Dit slib omvat: (stukken) dode vis, schubben, uitwerpselen van de vissen en restanten visvoeder. In hoofdzaak betreft het uitwerpselen en voederrestanten.
Dit slib moet als categorie 3-materiaal afgevoerd worden naar vergisting/compostering met hygiënisatie. Het is een afvalstof en valt onder de bevoegdheid van OVAM. - Type 2: kweek in bassins met recirculatie van water
In dit geval bevatten de bassins zelf geen slib. Het water wordt continu gezuiverd met roosters, zeven of persen.- De slibfractie afkomstig van het rooster moet als categorie 3-materiaal afgevoerd worden naar vergisting/compostering met hygiënisatie. Het is een afvalstof en valt onder de bevoegdheid van OVAM.
- De slibfractie afkomstig van de zeef en pers die worden verzameld, bestaan in hoofdzaak uit vissenmest. Deze fractie valt buiten het toepassingsgebied van de Europese regelgeving rond dierlijke bijproducten en mag volgende bestemmingen hebben:
- vergisting/compostering, bij voorkeur met hygiënisatie om eventuele verspreiding van parasieten tegen te gaan;
- rechtstreeks op de bodem uitrijden als meststof. Dit wordt beschouwd als dierlijke mest, de bepalingen van het Mestdecreet zijn van toepassing.
Het gebruik van vissenslib of -mest in aquaponics, voor de teelt van eendenkroos, algen of groenten is een bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst voor Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Het gebruik als substraat wordt geregeld door het Koninklijk Besluit van 28/01/2013 betreffende het in de handel brengen van meststoffen bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten. Voor het in de handel brengen van vissenslib is een ontheffing vereist.
Mest van insecten (frass)
De Europese regelgeving over dierlijke bijproducten definieert wat landbouwhuisdieren zijn. Dat zijn dieren die de mens houdt voor de productie van voedsel, wol, bont, veren, huiden of een ander dierlijk product, of andere veeteeltdoeleinden. Dit geldt ook voor insecten.
Hun uitwerpselen vallen dan ook onder de Europese definitie van mest: “uitwerpselen en/of urine van landbouwhuisdieren, met uitzondering van gekweekte vissen, met of zonder strooisel” (Verordening 1069/2009, artikel 3.20).
Insectenmest of ‘frass’ bevat echter naast de uitwerpselen ook resten van voeder en de insecten zelf. Daarom bevat de regelgeving over dierlijke bijproducten een specifieke definitie: “mengsel van uitwerpselen van gekweekte insecten, de voedingsbodem, delen van gekweekte insecten en dode eieren, met een maximumgehalte van 5 volumeprocent en 3 gewichtsprocent dode gekweekte insecten” (Verordening 142/2011, bijlage I, punt 61).
Insecten en frass vallen niet onder de bepalingen van het Mestdecreet. Frass valt daarom onder de bevoegdheid van OVAM.
Frass mag niet rechtstreeks ingezet worden als bodemverbeterend middel of meststof. Er moet eerst – conform de Europese regelgeving over dierlijke bijproducten – een hygiënisatie gebeuren op één van volgende manieren:
- Afzonderlijke verwerking door droging op 1 uur op 70°C door een erkend verwerker. Er moet ook voldaan zijn aan de samenstellingsvoorwaarden van de definitie. Het resultaat is ’verwerkte frass’.
- Bij vergisting of compostering door een erkend bedrijf moet de frass niet voldoen aan de samenstellingsvoorwaarden van de definitie. Toegestane warmtebehandelingen zijn 1 uur op 70°C of een alternatieve gevalideerde warmtebehandeling. Het resultaat is ‘digestaat’ of ‘compost’.
Verwerkte frass, compost en digestaat zijn materialen die in aanmerking komen als grondstof (Vlarema bijlage 2.2). Ze mogen zonder grondstofverklaring gebruikt worden als bodemverbeterend middel, op voorwaarde dat ze voldoen aan de samenstellingsvoorwaarden van Vlarema bijlage 2.3.1.A en beschikken over een keuringsattest.
Voor de Mestbank gelden de regels voor ‘andere meststoffen’.
Mest van wormen
In tegenstelling tot insecten worden wormen door de Europese regelgeving niet aanzien als landbouwhuisdieren, ook niet als ze gekweekt worden.
Wormenmest valt dan ook niet onder het toepassingsgebied van de Europese regelgeving over dierlijke bijproducten of onder de Europese definitie van mest (Verordening 1069/2009 artikel 2. 2.k).
Wormenmest wordt ook wormencompost of vermicompost genoemd. Het valt niet onder het Mestdecreet en is daarom een bevoegdheid van OVAM.
Wormenmest mag rechtstreeks gebruikt worden als (grondstof in) bodemverbeterend middel, onder bepaalde voorwaarden:
- OVAM moet een grondstofverklaring afleveren
- De wormenmest moet afkomstig zijn van inheemse wormensoorten, die uitsluitend gevoederd worden met niet-dierlijke bijproducten. Zo niet is een hygiënisatie vooraf verplicht.
Voor de Mestbank gelden de regels voor ‘andere meststoffen’.
OVAM maakt geen onderscheid tussen mest van wormen die gekweekt worden voor visaas of wormen die effectief gekweekt worden met de intentie om wormenmest te produceren.
Mest van gezelschapsdieren
Mest van gezelschapsdieren valt niet onder het toepassingsgebied van de Europese regelgeving over dierlijke bijproducten en dus ook niet onder de Europese definitie van mest (Verordening 1069/2009 artikel 2. 2.k).
Het valt niet onder de bepalingen van het Mestdecreet en is daarom een bevoegdheid van OVAM.
Mest van kleine huisdieren van particulieren wordt als huishoudelijk afval beschouwd en mag bij het gft-afval gesorteerd worden, samen met het plantaardig strooisel. Dit kan gaan om mest van onder meer konijnen en cavia’s, maar ook van honden en katten. Mest van grote huisdieren of in grote hoeveelheden hoort eerder bij het huisvuil. Kattenbakkorrels of ander anorganisch strooisel mag niet bij het gft-afval worden gesorteerd en hoort ook bij het restafval.
Voor de toegelaten verwerking van dierenuitwerpselen tot meststof of bodemverbeterend middel, maken we een onderscheid tussen herbivoren en carnivoren. Dit onderscheid ligt niet wettelijk vast. Het is gebaseerd op het hogere risicoprofiel van uitwerpselen van carnivoren dat parasieten of op mens overdraagbare virussen kan bevatten.
Composterings- en vergistingsinstallaties weren vaak mest van carnivoren omwille van risico’s op geurhinder en de verspreiding van pathogenen. De verwerker beslist uiteindelijk of hij de mest van huisdieren al dan niet zal aanvaarden. Hoewel dit materiaal niet onder de regelgeving inzake dierlijke bijproducten valt, legt OVAM op basis van het voorzorgsprincipe een hygiënisatie op overeenkomstig de vereisten die gelden voor dierlijke bijproducten.
Als de mest afkomstig is van een fokker of een asiel, is het een bedrijfsafvalstof en wordt het bij voorkeur verzameld en afgevoerd worden via een containerbedrijf als restafval. Dit geldt ook voor duivenmelkers die grote hoeveelheden duivenuitwerpselen hebben.
Voor het rechtstreeks gebruik op de bodem is een grondstofverklaring nodig.
Mest van andere diersoorten
Mest van onder meer dierentuindieren, wilde dieren en dieren die niet onder het Mestdecreet begrepen zijn, valt onder de bevoegdheid van OVAM.
Afhankelijk van de situatie mag deze mest
- rechtstreeks gebruikt worden als (grondstof in) bodemverbeterend middel, onder bepaalde voorwaarden:
- er moet een grondstofverklaring worden verkregen van OVAM
- de mest is uitsluitend afkomstig van herbivore dieren.
Voor de Mestbank gelden dan de regels voor ‘andere meststoffen’.
- worden afgevoerd als organisch-biologische afvalstof naar een composterings- of vergistingsinstallatie, die een hygiënisatie uitvoert
- worden afgevoerd als ongevaarlijk bedrijfsafval (restafval) naar een verbrandingsinstallatie.
Verwerking en gebruik
Gebruik als ligbedmateriaal voor koeien
Volgens Verordening 1069/2009 wordt mest beschouwd als categorie 2-materiaal. Deze verordening laat niet toe om mest te gebruiken of te verhandelen als ligbedmateriaal voor dieren.
Gebruik binnen het eigen landbouwbedrijf wordt wel gedoogd, maar onder strikte voorwaarden. De veehouder:
- mag enkel mest gebruiken van de eigen exploitatie
- moet eigen mestscheiders gebruiken, mobiele/huurinstallaties zijn niet toegelaten
- moet hygiënisch werken: scheider, slangen en toebehoren moeten na elk gebruik worden gereinigd om kruisbesmetting te voorkomen
Na dit gebruik wordt de fractie terug als onverwerkte mest beschouwd en valt het dus onder de bevoegdheid van de Mestbank.
Compostering en vergisting
Alle mestsoorten mogen worden bestemd voor een composterings- of vergistingsinstallatie die erkend is voor het composteren of vergisten van dierlijke bijproducten.
Mest van carnivoren wordt eerder geweerd bij composterings- en vergistingsinstallaties omwille van hogere risico’s op geurhinder en de verspreiding van pathogenen. Grote hoeveelheden uitwerpselen van carnivoren worden daarom in regel als restafval naar verbranding afgevoerd.
Verbranding
Storten
Het storten van mest is niet toegelaten. Vlarema artikel 4.5.1 verbiedt immers het storten van materialen die nog geschikt zijn voor een toepassing die hoger staat op de ladder van Lansink, zoals het gebruik als meststof.
Enkel mest die niet of moeilijk kan verwerkt worden tot een milieuveilige meststof en niet verbrand kan worden, mag worden afgevoerd naar een vergunde stortplaats, mits een afwijking op het stortverbod voor dierlijke bijproducten wordt bekomen van OVAM.
Vaak werd er in het verleden asbest gebruikt bij de opbouw van een stal. Wanneer deze stal afbrandt, kan het gebeuren dat asbest in de mest terechtkomt.
Deze verontreinigde mest is dan niet meer geschikt om op het land gebracht te worden als meststof, en wordt bijgevolg een afvalstof. Naast asbest kunnen er ook nog andere verontreinigingen aanwezig zijn, zoals bv. bouwmaterialen en krengen. Een pasklare oplossing is niet mogelijk, elke situatie is specifiek.
Bij een stalbrand moet, waar mogelijk, een scheiding worden gemaakt in verschillende fracties/afvalstoffen. Voor elk van deze fracties moet dan de meest hoogwaardige toepassing worden gekozen.
Team Bio
- Adres
- Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid