Circulaire materialenverhalen

Stock-flow model geeft inzicht in het vrijkomen van isolatiematerialen


De Vlaamse bouwsector wordt geconfronteerd met een dubbele uitdaging: enerzijds een noodzakelijke versnelling van energetische renovaties om de klimaat- en energiedoelstellingen te behalen, en anderzijds een groeiende druk op de beschikbaarheid en het duurzaam beheer van materialen. Tegen deze achtergrond ontwikkelde VITO, in opdracht van OVAM, een stock-flowmodel (SF-model) voor het residentiële gebouwenpark in Vlaanderen.

Een SF-model laat toe om een inschatting te maken van de stock-opbouw van een goed, in dit geval residentiele gebouwen. Dit gebeurt op basis van de vraag naar dit goed, in combinatie met een Weibull-functie die de levensduur ervan reflecteert. Vervolgens wordt hieraan een gemiddelde samenstelling gekoppeld op basis waarvan een totaal materialengebruik kan worden ingeschat. Het ontwikkelde model volgt een top-down benadering, waarbij het doel is inzichten te verschaffen op niveau van Vlaanderen over zowel het gebouwenpark als het hieraan verbonden materialengebruik.

Met het model wordt de stock van verschillende types isolatiemateriaal in woningen in Vlaanderen in kaart gebracht. Het model verenigt verschillende aspecten van de woningbouw waarbij rekening wordt gehouden met het bouwjaar, het type woning en renovaties die doorheen de jaren plaatsvonden. Op basis van deze geïntegreerde simulatie van gebouwen, materiaalgebruik en renovatie wordt de evolutie van de isolatiematerialenstock in het Vlaamse residentiële gebouwenpark berekend, evenals de jaarlijkse input (door nieuwbouw en renovatie) en output (door renovatie en sloop). 
Om toekomstige materiaalstromen in te schatten, worden twee scenario’s vergeleken: Business as Usual (BAU) en doelstelling 2050 (D2050). Het BAU-scenario volgt de dalende renovatietrend van de afgelopen jaren, terwijl het D2050-scenario het aantal renovaties verhoogt tot het niveau dat nodig is om de Vlaamse langetermijndoelstellingen voor 2050 te behalen (Umax 0,24 W/m²K voor daken, muren en vloeren).

De modellering toont aan dat Vlaanderen de komende decennia, ongeacht het scenario, geconfronteerd zal worden met substantiële hoeveelheden vrijkomend isolatiemateriaal. Het BAU-scenario vormt een realistische ondergrens, terwijl het D2050-scenario de bovengrens aangeeft van wat mogelijk wordt bij een ambitieus renovatiebeleid. De werkelijke evolutie zal vermoedelijk ergens tussen beide liggen, maar zelfs de ondergrens vereist het tijdig anticiperen op groeiende materiaalvolumes en een veranderende samenstelling van de afvalstroom.

Het SF-model biedt hiervoor een krachtige basis, niet enkel voor monitoring en prognoses, maar ook voor het onderbouwen van strategische keuzes rond circulaire economie, bouwregelgeving en investeringen in verwerkingscapaciteit.

Hoe is het stock-flowmodel opgebouwd?

Algemeen overzicht van het SF-model waarin de opbouw van het Vlaamse residentiële gebouwenpark gekoppeld wordt met het materialengebruik. Bron: VITO (2026)

De opbouw van het SF-model residentiële gebouwen verliep in verschillende stappen.

In een eerste stap werd de evolutie van het Vlaamse residentiële gebouwenpark gemodelleerd vertrekkende vanuit het verloop en de projectie van het aantal huishoudens. Door rekening te houden met de verhouding van het aantal wooneenheden per huishouden kan de woonbehoefte uitgedrukt in het benodigd aantal wooneenheden worden bepaald. Dit aantal gebouwen wordt bepaald door rekening te houden met de verhouding van het aantal wooneenheden per gebouw. Dit laat toe om het verloop (1900 – 2023) en de projectie (2024 – 2050) van het Vlaams residentiële gebouwenpark in te schatten.

In een tweede stap werd op basis van de evolutie van het residentiële gebouwenpark de sloop van bestaande gebouwen en de bouw van nieuwe gebouwen ingeschat. De sloop werd ingeschat op basis van verschillende Weibull-verdelingen per leeftijdscategorie en per gebouwtype. Deze inschatting van de sloop samen met het verloop en projectie van de evolutie van het gebouwenpark laat toe om de bouw van nieuwe gebouwen te bepalen via een iteratief proces waarbij de bouw en sloop van gebouwen ervoor zorgen dat de gewenste evolutie van het gebouwenpark bereikt wordt.

In een derde stap werd het SF-model gekoppeld aan het materialengebruik. Een eerste case focust op isolatiematerialen toegepast in daken, muren en vloeren. De koppeling met materialen vertrekt vanuit de combinatie van geometrische data en de referentiesamenstelling. De geometrische data beschrijven de gemiddelde oppervlakte van elf gebouwelementen per type wooneenheid (gesloten, halfopen, open bebouwingen & appartementsgebouwen) en per leeftijdscategorie. De referentiesamenstelling geeft de samenstelling van elk gebouwelement in verschillende componenten waarbij enkel een onderscheid gemaakt wordt in leeftijdscategorieën. Deze combinatie koppelt per gebouwtype en per leeftijdscategorie een absolute gebouwsamenstelling aan de gebouwen in het gebouwenpark.

De absolute gebouwsamenstelling wijzigt doorheen de tijd door verschillende renovaties (dak-, muur- en vloerrenovaties). Elke renovatie zorgt eveneens voor een input en output van materialen. Door de inschatting van de evolutie van deze drie renovatiestypes en door op dezelfde manier de koppeling te maken met materialengebruik doorheen de tijd kan een dynamische, absolute gebouwsamenstelling bepaald worden (= stock). Deze zal de aard en de hoeveelheid van materialen bepalen die vrijkomen ten gevolge van sloop en renovatie van gebouwen.

Hoeveel Isolatiematerialen komen vrij in elk scenario?

Evolutie van de hoeveelheid isolatiematerialen die vrijkomen bij sloop en renovatie van Vlaamse residentiële gebouwen in Scenario 1 – BAU. (A) Hoeveelheid materialen per type isolatiemateriaal. (B) Hoeveelheid materialen per type output.​​​​​​​​​​​​​
​​​​​​​
Evolutie van de hoeveelheid isolatiematerialen die vrijkomen bij sloop en renovatie van Vlaamse residentiële gebouwen in Scenario 2 – D2050. (A) Hoeveelheid materialen per type isolatiemateriaal. (B) Hoeveelheid materialen per type output.

In Scenario 1 – BAU komt er een vrij constante hoeveelheid isolatiematerialen vrij in de periode 2024 – 2050. Dit komt door de combinatie van een dalend aantal renovaties en een stijgend aantal gesloopte gebouwen met toenemende hoeveelheden isolatiematerialen. In dit scenario komt jaarlijks gemiddeld 16,6 kton isolatiematerialen vrij waarvan 10 kton (62 %) minerale wol, 5 kton (30 %) PUR/PIR en 1,2 kton (7 %) EPS/XPS. Het aandeel minerale wol neemt licht af, terwijl de aandelen synthetische isolatiematerialen toenemen. Desondanks blijft het aandeel minerale wol het grootst omdat recente woningen met een groter aandeel synthetische isolatiematerialen nog maar beperkt aan bod komen voor sloop en renovatie in de periode 2024 – 2050. Op langere termijn zal dit aandeel sterker toenemen.

In Scenario 2 – D2050 komt er een grotere hoeveelheid isolatiemateriaal vrij in de periode 2024 – 2050 in vergelijking met Scenario 1 - BAU. De reden hiervoor is het grotere aandeel renovaties die nodig zijn om de doelstelling tegen 2050 te behalen. In dit scenario stijgt de hoeveelheid isolatiematerialen die vrijkomt tijdens de sloop en renovatie van gebouwen van 20 kton in 2024 naar 80 kton in 2050. Dit is tot 500% (in 2050) meer dan wat er vrijkomt in Scenario 1 – BAU. Het aandeel minerale wol neemt sterker af, terwijl de aandelen synthetische isolatiematerialen sterker toenemen omdat er in scenario 2 – D2050 ook meer recentere gebouwen worden gerenoveerd.

In de praktijk zal de werkelijke evolutie van dak-, muur- en vloerrenovaties gelegen zijn ergens tussen bovenstaande scenario’s. Het is weinig waarschijnlijk dat Vlaanderen spontaan het BAU-scenario zal blijven volgen (vanwege EU-doelstellingen, energetische druk, stijgende energieprijzen), maar ook het D2050-scenario is op korte termijn moeilijk haalbaar door de aangekondigde daling van de Mijn Verbouwpremies en zonder toekomstige beleidsinterventies. Daarom moet de interpretatie van de resultaten eerder worden gezien als:

  • BAU = ondergrens van het vrijkomende materiaalvolume;
  • D2050 = bovengrens van wat mogelijk vrijkomt bij maximale inspanning;

Deze bandbreedte geeft voor het beleid inzicht in zowel het minimale als maximale toekomstige beroep op afvalbeheer, recyclagecapaciteit en grondstoffenstromen.

Bovenstaande resultaten worden sterk bepaald door de gemaakte aannames in het SF-model. Een belangrijke aanname is of bestaande isolatie al dan niet volledig verwijderd wordt. Voor daken en vloeren stelt het model dat bestaande isolatie bij elke renovatie wordt vervangen. Voor muren wordt bij eerste renovaties de aanwezige isolatie behouden en wordt bijkomende isolatie toegevoegd. Enkel bij daaropvolgende renovaties wordt de bestaande isolatie volledig verwijderd. Deze aannames kunnen zowel tot onder- als overschatting van de hoeveelheid vrijkomend materiaal leiden. Vooral in het D2050-scenario kan dit door de grotere renovatievolumes een duidelijke verschuiving veroorzaken. Deze gevoeligheid benadrukt het belang van betere data over renovatiepraktijken en selectieve inzameling om toekomstige modelresultaten verder te verfijnen.

Hoe evolueert de isolatiematerialenstock in elk scenario?

Evolutie van de isolatiematerialenstock tussen 1970 – 2050 in het Vlaamse residentiële gebouwenpark voor (A) Scenario 1 – BAU en (B) Scenario 2 – D2050.

De vraag naar nieuwe gebouwen en bijgevolg de input van isolatiematerialen in het gebouwenpark blijft gelijk in beide scenario’s. Door de wijzigende hoeveelheid materialen die vrijkomt, heeft dit een invloed op de samenstelling en omvang van de isolatiematerialenstock.

Door de toename in aantal renovaties in Scenario 2 – D2050 bevat het Vlaamse residentiële gebouwenpark tegen 2050 597 kton (20 %) meer isolatiematerialen welke in de toekomst ten gevolge van sloop en eventuele renovaties kunnen vrijkomen. Bovendien neemt het aandeel PUR/PIR (+28 %) en EPS/XPS (+43 %) sterker toe in vergelijking met minerale wol (+11 %). Dit is het gevolg van het grotere aandeel PUR/PIR en EPX/XPS dat wordt toegepast tijdens renovaties volgens de gemaakte aannames. De afvlakking van de isolatiematerialenstock is het gevolg van de dalende vraag naar nieuwe residentiële gebouwen omdat de projectie van het aantal huishoudens in Vlaanderen stagneert tot 2050.

De totale isolatiematerialenstock in residentiële gebouwen groeit in beide scenario’s aanzienlijk door groter toegepaste isolatiemateriaaldiktes in nieuwe gebouwen en renovaties van bestaande gebouwen. Hierdoor verschuift de samenstelling van de stock sterk richting synthetische isolatiematerialen (PUR/PIR, EPS/XPS) omdat deze meer worden toegepast in recente bouwjaren en sterk aanwezig zijn in de renovatiemarkt. De vraag naar primaire grondstoffen blijft aanzienlijk, terwijl Vlaanderen tegelijk geconfronteerd wordt met groeiende stromen van vrijkomende isolatiematerialen. Dit creëert een opportuniteit voor circulaire toepassingen, maar enkel als deze materialen selectief ingezameld of gescheiden kunnen worden uit de afvalstromen, er voldoende recyclagecapaciteit is en hoogwaardige verwerkingstechnologieën beschikbaar zijn. Het aandeel PUR/PIR neemt het sterkst toe in beide scenario’s, terwijl momenteel de recyclagetechnologie en beschikbare capaciteit hiervoor onvoldoende ontwikkeld is.

Bronnen

Goelen, T., & Van der Linden, A. (2026). Resultaten uit het stock-flowmodel residentiële gebouwen

Dit circulaire materialenverhaal is gepubliceerd op 26/02/2026.

Team Onderzoek en Monitoring

Hebt u een vraag voor dit team? Stel ze hier:

Adres
Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid