De materiaalinzet in de Vlaamse economie stijgt

Vlaamse materiaalinzet (som van Vlaamse ontginning en import van materialen), in miljoen ton. Bron: VITO (2026)
Grondstofafhankelijkheid van Vlaanderen. Bron: VITO (2026)
Met Vlaamse materiaalinzet (Direct Material Input of DMI) bedoelen we alle materialen die fysiek de Vlaamse economie binnenkomen voor productie en consumptie, als grondstof, halffabricaat of afgewerkt product. De inzet van materialen in de Vlaamse economie (DMI) kent een stijgende trend tussen 2010 en 2024 (+9 %). In 2020 kende de import van materialen een tijdelijke daling omwille van de coronacrisis. In 2021 en 2022 steeg de import van materialen opnieuw, terwijl in 2023 en 2024 de import daalde. Deze evolutie is vooral het gevolg van de invoer van fossiele grondstofdragers waarbij de handel in vloeibaar aardgas via de LNG-terminals in Zeebrugge een hoofdrol speelt. De invoer van gas kende een sterke stijging in 2021 en 2022 door het herstel na corona en de energiecrisis waardoor de reserves werden aangevuld. In 2024 daalt de invoer van aardgas vermoedelijk omwille van de verminderde energievraag en de reserves die op peil zijn. Terwijl deze bewegingen het moeilijker maken om de evoluties te kaderen vanuit Vlaams beleidsperspectief, zien we tegelijk hoe sterk grondstoffen samenhangen met geopolitieke evoluties. 

De verhouding tussen Vlaamse ontginning en totale materiaalinzet (DMI) illustreert hoe afhankelijk we zijn van de import van grondstoffen, halffabricaten en afgewerkte producten om onze economie te doen draaien. Deze verhouding daalt van 21 % in 2010 naar 16 % in 2024. De stijging van de import van materialen in de periode 2010-2024 (+14 %) is ongeveer gelijk aan de daling van de Vlaamse ontginning (-13 %). Vlaanderen is dus meer afhankelijk geworden van het buitenland wat betreft materialen, zowel voor biomassa als voor niet-metaalhoudende mineralen.

De Vlaamse materiaalconsumptie daalt sterk in 2024

Vlaamse materiaalconsumptie (DMC) en uitvoer van materialen in miljoen ton. Bron: VITO (2025)
Europese en Vlaamse materiaalconsumptie per inwoner (DMC) (index 2010). Bron: VITO (2026) & Eurostat
De Vlaamse materiaalconsumptie of Domestic Material Consumption (DMC) is een indicator die ontstaat door de uitvoer van materialen, als halffabricaat of afgewerkt product, in mindering te brengen van de materiaalinzet (DMI). Dat is de hoeveelheid materialen die de Vlaamse economie direct consumeert. Deze Vlaamse materiaalconsumptie is een belangrijke maatstaf voor de toekomstige hoeveelheid afval en emissies, aangezien alle geconsumeerde materialen vroeg of laat veranderen in afval of emissies. 

De totale DMC schommelt in de periode 2010-2024 tussen de 130 miljoen ton en 166 miljoen ton. Het materiaalverbruik daalt licht tot 2015, waarna het weer geleidelijk stijgt tot 2017. Na 2017 daalt de DMC gestaag tot 2021. In 2022 maakt de DMC een grote sprong en bereikt een waarde van 164 miljoen ton, om in 2023 licht te zakken. In 2024 daalt de DMC sterk tot 130 miljoen ton. Deze daling is voornamelijk te verklaren door een grote daling bij de fossiele energiedragers (van 74 miljoen ton naar 39 miljoen ton), namelijk door de al eerder vermelde daling in de gasinvoer. De uitvoer van materialen is sterk gestegen in de periode 2010-2024 (+36 %). Deze stijging zien we bij alle materiaalcategorieën: biomassa (+82 %), metalen (+28 %), fossiele energiedragers (+26 %) en niet-metaalhoudende mineralen (+20 %). 

De Vlaamse materiaalconsumptie per inwoner daalt van 25,0 ton per inwoner in 2010 naar 19,1 ton per inwoner in 2024 (-24 %). De materiaalconsumptie per inwoner in de EU-27 blijft stabieler, maar kent eveneens een dalende trend in de periode 2010-2024 (-8 %). We vergelijken hier enkel de trends en niet de werkelijke waarden. Vergelijking met andere regio's en landen vereist de nodige voorzichtigheid. Verschillende factoren spelen een rol: grootte en productiviteit van een economie, inwonersaantal en -dichtheid, consumptiepatronen, klimaat, de samenstelling (type activiteiten) van een economie, de beschikbaarheid van grondstoffen of alternatieve grondstoffen en de beschikbare technologieën.

De Vlaamse materialenvoetafdruk per inwoner daalt

Voortschrijdend gemiddelde (N=3 jaar) Vlaamse materialenvoetafdruk (RMC) en materiaalverbruik (DMC) in miljoen ton. Bron: VITO (2026)
Trend Europese en Vlaamse materialenvoetafdruk (RMC) per inwoner (index 2012). Voortschrijdend gemiddelde voor Vlaanderen. Bron: VITO (2026)
Door de verhandelde goederen en diensten om te rekenen naar de hoeveelheid grondstoffen die nodig was om ze te produceren, verkrijgen we de Vlaamse materialenvoetafdruk of Raw Material Consumption (RMC). De materialenvoetafdruk beschrijft de grondstoffen die direct én indirect nodig waren in de volledige productieketen voor de Vlaamse consumptie. De materialenvoetafdruk laat toe om de globale impact van de finale consumptie binnen Vlaanderen te becijferen. 

Daarvoor worden meer dan 9 000 handelsstromen (op het niveau van producten) omgezet naar ontgonnen grondstoffen met behulp van 182 RME-categorieën [1] (op het niveau van productgroepen). Bijgevolg is de schatting van de materialenvoetafdruk minder betrouwbaar dan deze van de materiaalconsumptie. Het is dus belangrijker om het voortschrijdend gemiddelde (N = 3 jaar) op te volgen dan de absolute waarde van elk jaar te evalueren.

Het driejaarlijks voortschrijdend gemiddelde van de Vlaamse materialenvoetafdruk steeg tussen 2012 en 2018 van 216 miljoen ton naar 261 miljoen ton. Vanaf 2019 kent het voortschrijdend gemiddelde van de materialenvoetafdruk een dalende trend naar 214 miljoen ton in 2024. Over de periode 2012-2024 is het voortschrijdend gemiddelde van de materialenvoetafdruk met 1 % gedaald. 

Uitgedrukt per inwoner daalt het voortschrijdend gemiddelde van de materialenvoetafdruk over het hele tijdsbereik met 8 % tussen 2012 (33,9 ton per inwoner) en 2024 (31,2 ton per inwoner). De grafiek toont een stijging tot een maximum in 2018, en vervolgens een daling tot en met 2024. Het Vlaams beleid streeft een daling van de materialenvoetafdruk na. De cijfers suggereren dat de daling is ingezet, al zullen de data na 2024 essentieel zijn om deze daling te bevestigen. De materialenvoetafdruk van de EU-27 per inwoner blijft in de periode 2012-2024 stabieler (-3 %). Zoals eerder vermeld, vergelijken we enkel de trends en niet de werkelijke waarden.

[1] De Eurostat methodologie gebruikt RME-coëfficiënten om invoer en uitvoer om te zetten in Raw Material Equivalents (RME) of voetafdrukken. Hierbij worden alle materialen meegerekend die nodig zijn in de voorste schakels voor de invoer en uitvoer van producten. Deze RME-coëfficiënten zijn beschikbaar voor 182 productgroepen.  

Economie ontkoppelt zich van de materiaalconsumptie en van de materialenvoetafdruk

Vlaamse materiaalproductiviteit, gemeten als het bbp ten opzichte van de materiaalconsumptie (DMC) in euro per kilogram in kettingvolumes. Bron: VITO (2026)
Trend Vlaamse materiaalproductiviteit, gemeten als het bbp ten opzichte van de materialenvoetafdruk (RMC) in euro per kilogram in kettingvolumes (voortschrijdend gemiddelde, N=3 jaar). Bron: VITO (2026)
Door de grootte van de economie te delen door de materiaalconsumptie (DMC) of de materialenvoetafdruk (RMC) verkrijgen we efficiëntie- of productiviteitsindicatoren. Deze meten het vermogen om met minder materiaal dezelfde economische output te produceren of aan dezelfde behoeften te voldoen. Een stijging van de productiviteit wijst op een verbetering van de milieu-economische prestaties, en dus van het concurrentievermogen. De grootte van de economie wordt gemeten door het bruto binnenlands product [2] (bbp in kettingeuro’s [3]).

De Vlaamse economie als geheel ontkoppelt zich op absolute wijze van de materiaalconsumptie in de periode 2010-2024. De Vlaamse economie groeit in deze periode (+27 %), terwijl de materiaalconsumptie daalt (-16 %). Hier speelt vooral het effect van de hogervermelde sterke daling van de materiaalconsumptie (DMC) in 2024 ten opzichte van 2023 (-19 %). Uitzonderlijke gebeurtenissen kunnen de materiaalconsumptie sterk beïnvloeden. Zo zorgden het herstel na de coronacrisis en de energiecrisis in 2020 en 2021 voor grote schommelingen in de invoer van fossiele grondstofdragers. Daarom is het ook hier belangrijker om de trend op te volgen dan de absolute waarde van elk jaar te evalueren.

In de periode 2012-2024 zien we een (beperkte) absolute ontkoppeling tussen de economie en de materialenvoetafdruk. Het voortschrijdend gemiddelde van de materialenvoetafdruk daalt (-1 %), terwijl het bbp toeneemt (+23 %). Om dezelfde output te produceren zijn er minder directe én indirecte grondstoffen nodig. Hierdoor stijgt de verhouding tussen het bbp en de materialenvoetafdruk. 

Ook in de EU-27 zien we een absolute ontkoppeling tussen de economie en zowel de materiaalconsumptie als de materialenvoetafdruk. Zoals eerder vermeld vergelijken we enkel de trends en niet de werkelijke waarden.​​​​​​​
 

[2] Bbp omvat de gehele economie, terwijl de materiaalconsumptie het materiaalverbruik voor de export niet meeneemt. Toch is materialenproductiviteit uitgedrukt als bbp/DMC een algemeen aanvaarde indicator, onder meer gepubliceerd door Eurostat en het EMA. 

[3] Het bbp wordt uitgedrukt als volumereeks in kettingeuro’s met 2010 als referentiejaar. Prijsveranderingen worden zo uit de evolutie weerhouden, volumeveranderingen blijven over.

Trend Europese en Vlaamse materiaalproductiviteit, gemeten als bbp ten opzichte van materiaalconsumptie (index 2010). Bron: VITO (2026) & Eurostat
Trend Europese en Vlaamse materiaalproductiviteit, gemeten als bbp ten opzichte van materialenvoetafdruk (index 2012). Bron: VITO (2026) & Eurostat

Bronnen

Daan Vandervelde, Jana Deckers en An Vercalsteren (VITO) (2026), Macro-economische indicatoren voor materiaalstromen in Vlaanderen update tot 2024, VITO in opdracht van de OVAM. Raadpleegbaar via https://ovam.vlaanderen.be/materiaalstroomrekeningen-voor-de-gehele-economie

Eurostat datasets (2026):
  • Material flow accounts in raw material equivalents - modelling estimates (env_ac_rme)
  • Material flow accounts (env_ac_mfa)
  • Gross domestic product (GDP) at current market prices by NUTS 2 regions (nama_10r_2gdp)
  • GDP and main components (output, expenditure and income) (nama_10_gdp)


Download hieronder de inhoud van deze pagina in pdf-formaat. 

Team Onderzoek en Monitoring

Hebt u een vraag voor dit team? Stel ze hier:

Adres
Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid