Verdeelsleutel zwerfvuilvergoeding gemeenten
Rekenmodel
De verdeelsleutel bepaalt het aandeel dat elk Vlaams lokaal bestuur van de zwerfvuilvergoeding van bijna 61 miljoen euro toebehoort. De verdeelsleutel is gebaseerd op een rekenmodel, hieronder schematisch voorgesteld, dat opgesteld werd i.o.v. OVAM. Een rekenmodel is een vereenvoudigde, theoretische weergave van de werkelijkheid die gegevens omzet in inzichten of resultaten via vooraf vastgelegde berekeningen. Aan de hand van het schema hieronder lichten we het rekenmodel voor de verdeelsleutel in meer detail toe.

Input
Tellingen van het aantal stuks zwerfvuil per 100m² per type-omgeving volgens de opdeling op de kaart type-omgevingen zwerfvuil (zie hieronder). Data van 2023 t.e.m. 3e kwartaal 2025, aantal observaties: 16 733.
-> Meer info over de Zwerfvuiltellingen uitgevoerd door OVAM.
De opruimdata en -frequenties zoals bekend uit de bevraging van de gemeenten in de Netheidsindex-steekproef van 2021 & 2022. Aantal observaties: 11 740.
-> Meer info over de Netheidsindex van OVAM.
Opdeling van het openbaar domein in Vlaanderen in 16 type-omgevingen, voor het eerst ontwikkeld en toegepast voor de OVAM-fractietelling van het zwerfvuil in 2019-2021. Deze kaart wordt regelmatig geactualiseerd door VITO en is onder meer gebaseerd op de meest recente Landgebruikskaart van Departement Omgeving.
-> Kaart raadpleegbaar op het OVAM-Geoloket.
Een externe bron die geconsulteerd werd, is de typologie voor gemeenten van Belfius, de zogenaamde Belfiusclusters, zoals gepubliceerd in 2018.
->Meer info over deze studie op de webpagina van Belfius.
Een laatste input betrof de beleidsmatige input (beleidsinput 0.), nl. het gekozen kwaliteitsniveau per type-omgeving. Voor elk kwaliteitsniveau werd bepaald wat het maximum aantal stuks zwerfvuil per 100m² is dat aanwezig mag zijn. De gekozen kwaliteitsniveaus liggen in lijn met het aantal stuks zwerfvuil per 100m² volgens de Zwerfvuiltellingen voor de type-omgeving. Voor alle gemeenten, onafhankelijk van het risicosegment, zijn de gekozen kwaliteitsniveaus hetzelfde.
Berekeningen en resultaat
Aan de hand van de resultaten van de Zwerfvuiltellingen (2023 – Q3 2025) werd per combinatie van type-omgeving en risicosegment het aanwezige zwerfvuil bepaald volgens het mediane aantal stuks zwerfvuil per 100m².
Uit de Netheidsindex (2021-2022) kent OVAM per combinatie van type-omgeving en risicosegment het mediane aantal uren tussen een opruimbeurt en een netheidsmeting.
Aan de hand van 1. en 2. werd vervolgens de vervuilingssnelheid berekend: dit is het aantal stuks zwerfvuil dat zich opstapelt per 100m² per uur. Dit toont op een objectieve manier waar – in welke type-omgeving volgens risicosegment – zwerfvuil zich in theorie sneller opstapelt.
Niet alle gemeenten hebben dezelfde kenmerken. Volgens een inschatting van het risico op de aanwezigheid van zwerfvuil voor elke Belfiuscluster, werd elke gemeente toegekend aan het laag, matig of hoog risicosegment. Gemeenten met vergelijkbare kenmerken worden zo in dezelfde groep ondergebracht. Deze indeling stamt voort uit de risicosegmentatie die reeds in 2012 opgemaakt werd bij ontwikkeling van de Netheidsindex. Ze helpt om realistische verwachtingen te bepalen over de nodige opruiminspanningen.
Op basis van de vervuilingssnelheid en de gekozen kwaliteitsniveaus (0.) bepaalt het model het aantal opruimbeurten in een jaar in theorie nodig is om het gekozen kwaliteitsniveau te bekomen in elk risicosegment en type-omgeving. Aan de hand van het risicosegment waartoe een gemeente behoort (4.), bepaalt het model voor elke gemeente voor elke type-omgeving het aantal benodigde opruimbeurten per jaar per 100m².
De kaart van type-omgevingen voor zwerfvuil, waarvoor het algoritme ontwikkeld werd in het kader van de Fractietelling 2019-2021, bepaalt het aantal hectaren per type-omgeving voor elke gemeente. Dit is de oppervlakte in een gemeente waar opruimbeurten van toepassing zijn.
Voor elke type-omgeving in een gemeente wordt het aantal “jaarhectaren” (7.) berekend door het aantal opruimbeurten per jaar per 100m² toe te passen op de oppervlakte van de type-omgeving. De som hiervan vormt het totaal aantal “jaarhectaren” voor de gemeente. “Jaarhectaren” is een fictieve eenheid die het mogelijk maakt om per gemeente een representatief cijfer te hebben op basis waarvan ze vergeleken kunnen worden. Ze stroomt voort uit de eerdere berekeningen. Ze zou geïnterpreteerd kunnen worden als een theoretische, jaarlijkse “opruiminspanning” van het zwerfvuil die nodig is om de gekozen kwaliteitsniveaus te bekomen, maar heeft buiten het rekenmodel geen betekenis.
Het aandeel dat elke gemeente krijgt van de totale zwerfvuilvergoeding, de verdeelsleutel (8.), is het relatieve aandeel (x%) van elke gemeente in het totaal aantal jaarhectaren van gemeenten in Vlaanderen (100%). Een gemeente die bijvoorbeeld 2% van alle berekende jaarhectaren vertegenwoordigt, ontvangt ook 2% van het beschikbare budget voor de zwerfvuilvergoeding.
Actualisatie oktober 2025
De actualisatie die OVAM in oktober 2025 uitvoerde volgens de meest recente, beschikbare gegevens, leidde tot een aantal verschuivingen in de gemeente-aandelen t.o.v. de vorige versie van de verdeelsleutel. Voor 64 gemeenten zien we een toename, voor de overige 221 zien we een relatief kleinere afname. De gemiddelde toename is 0,15 procentpunten, de gemiddelde afname is 0,04 procentpunten.
De verschuiving in aandelen was over het algemeen terug te leiden tot de nieuwe gegevens over het aantal stuks zwerfvuil per 100 m². Voordien werden deze cijfers afgeleid uit de Netheidsindex-metingen, waar tellingen gebeurden volgens looplijnen. Bijgevolg was een omrekening van lopende meter naar vierkante meter nodig. Bij de actualisatie werden de resultaten van de Zwerfvuiltellingen toegepast. Bij de Zwerfvuiltellingen wordt zwerfvuil geteld volgens oppervlakte en is dus geen omrekening nodig. Voornamelijk voor type-omgevingen ‘Centrumstraten’ en ‘Secundaire schoolomgeving’ zorgt dit voor belangrijke verschuivingen. De toepassing van de meest recente type-omgevingenkaart, m.a.w. het aantal hectaren per type-omgeving per gemeente, heeft relatief een veel geringere impact.