Circulaire materialenverhalen

Wat is de kost van materiaalbewust ontwerpen en bouwen?


Waarom deze studie?

De Europese Commissie heeft met de herziene Energy Performance of Buildings (EPBD)-richtlijn een belangrijke stap gezet richting duurzamer bouwen. Vanaf 2028 moet de levenscyclus-CO₂-impact van grote nieuwe gebouwen (> 1000 m²) berekend worden. Vanaf 2030 geldt dit voor alle nieuwe gebouwen. Deze studie onderzoekt wat deze nieuwe regelgeving betekent voor de financiële kant van bouwen: hoe veranderen de bouwkosten en ereloonkosten?

Hoe zijn we te werk gegaan?

We analyseerden vier types gebouwen:

  • Een halfopen woning (< 1000 m²)
  • Een appartementsgebouw (> 1000 m²)
  • Een schoolgebouw (> 1000 m²)
  • Een kantoorgebouw (> 1000 m²)

Voor elk gebouw berekenden we eerst de kosten in het huidige “Business-As-Usual” (BAU) scenario. Daarna onderzochten we vijf optimalisatiescenario’s:

  1. Materiaaloptimalisatie via hotspotanalyse (OPTIM 1)
  2. Compact ontwerp (OPTIM 2)
  3. Houtskeletstructuur (OPTIM 3)
  4. Houtskeletvariant op basis van biogebaseerde materialen (OPTIM 4)
  5. Combinatie van compact en biogebaseerd (OPTIM 5)

Niet elk scenario werd op elk gebouw toegepast: de BAU- en OPTIM 1-scenario's worden voor alle vier gebouwen berekend, terwijl de andere scenario's alleen voor de woning en de school worden geanalyseerd. Toekomstige kosten worden geactualiseerd naar 2024 op basis van een reële discontovoet van 2 %. Technieken en vast meubilair zijn niet meegenomen bij de bouwkosten, maar zijn wel in beschouwing genomen bij de ereloonkostenberekening.

Het ereloon is opgesplitst in twee delen: ontwerp- en werfopvolging, en TOTEM-modellering. Het ereloon voor ontwerp en werfopvolging is afhankelijk van de investeringskost, complexiteit en grootte van het project.

Wat hebben we ontdekt?

Figuur 1: Levenscyclus milieu-impact van de verschillende optimalisatie-scenario’s voor elk van de vier gebouwen.
Figuur 2: Investeringskost (donker) en levenscycluskost (licht) van de verschillende optimalisatie-scenario’s voor elk van de vier gebouwen.

“Business-As-Usual” (BAU)

Financiële kost en milieu-impact

​​​​​De vloeren zorgen voor de grootste impact bij de vier gebouwen, zowel qua financiële kosten als milieu-impact. 

De initiële fase (A1-A5) maakt een groot deel uit van de totale kosten en milieu-impact. Bij financiële kosten komen hier schoonmaak en onderhoud bij. Bij de milieu-impact heeft het energieverbruik tijdens de gebruiksduur ook een belangrijke bijdrage.

De vervangingen zijn de derde grootste oorzaak van zowel de financiële kosten als de milieu-impact.

Ereloon

De ereloonkost per m² is redelijk gelijkaardig voor de vier cases. 

Het ereloon voor TOTEM-modellering weegt zwaarder bij de woning vanwege de relatief kleinere investeringskost.

 

Materiaaloptimalisatie via hotspotanalyse (OPTIM 1)

Financiële kost en milieu-impact

Door de materiaaloptimalisatie kunnen aanzienlijke milieu-impact reducties worden gerealiseerd: van 20 % in het schoolgebouw tot 29 % in het appartementsgebouw.

Het vervangen van isolatie- en binnenafwerkingsmaterialen resulteerde in grote reducties.

Zonder het type constructie te veranderen waren de structurele elementen in veel gevallen al optimaal. 

Voor sommige materialen stijgen de levenscycluskosten, voor andere dalen ze. De totale levenscycluskosten stijgen in de vier casestudies, met een toename van 4 % in het kantoorgebouw tot 24 % in het appartementsgebouw.

Ereloon

De ereloonkosten voor het ontwerp en de werfopvolging volgen dezelfde trend als de investeringskost. 

Het ereloon voor de TOTEM-modellering ligt een stuk hoger voor de optimalisatie, aangezien er een hotspot-analyse en bijkomende modelleringen in TOTEM zijn gebeurd.

Compact ontwerp (OPTIM 2)

Financiële kost en milieu-impact

​​​​​​​Door de woning compacter te maken, daalt de milieu-impact en levenscycluskost van het gebouw sterk (-27 % voor de milieu-impact en -25 % voor de financiële kost). 

Per vierkante meter zijn deze milieu-impact en levenscycluskosten echter ongeveer gelijk met het BAU-scenario. De reductie van de vloeroppervlakte bij de compacte variant doet de elementratio’s immers stijgen. Bij de school bleef de bruikbare vloeroppervlakte constant, waardoor deze vaststelling zich hier niet voordoet.

Bij de school zorgt compact bouwen voor een verlaging van de milieu-impact met 8 % en een verlaging van de levenscycluskost met 6 %.

Ereloon

De ereloonkost voor het ontwerp en de werfopvolging volgt dezelfde trend als de investeringskost. 

Het ereloon voor de TOTEM-modellering ligt slechts een beetje hoger voor de compacte variant. Er is bijkomend werk om de woning en de school compacter te ontwerpen en een beetje werk om de nieuwe hoeveelheden in te vullen in TOTEM.

 

Houtskeletstructuur (OPTIM 3)

Financiële kost en milieu-impact

Door de structuur aan te passen naar een houtskeletstructuur, daalt de levenscyclusmilieu-impact van de woning met 20 % en van de school met 18 % per m². 

Dit resulteert bij de woning in een daling van de levenscycluskost van 13 % en bij de school in een daling van 6 %.

Ereloon

  De ereloonkost voor ontwerp en de werfopvolging volgt dezelfde trend als de investeringskost en daalt voor de school met 3 % en stijgt voor de woning met 4 %. 

Het ereloon voor de TOTEM-modellering ligt hoger aangezien de woning en de school herontworpen moeten worden volgens een houtskeletbouw-systeem en vervolgens ook opnieuw gemodelleerd dienen te worden in TOTEM.

Houtskeletvariant op basis van biogebaseerde materialen (OPTIM 4)

Financiële kost en milieu-impact

Deze variant reduceert de milieu-impact van de school met 23 % en van de woning met 29 % ten opzichte van het BAU-scenario. 

De financiële kost stijgt met 9 % bij de woning en met 10 % bij de school over de volledige levensduur.

Ereloon

De ereloonkost voor ontwerp en werfopvolging volgt dezelfde trend als de investeringskost. Bij de woning is er een stijging van 5% en bij de school van 2%. 

Het ereloon voor de TOTEM-modellering ligt hoger aangezien de woning en de school herontworpen moeten worden, zo veel mogelijk gebruik makend van biogebaseerde materialen, en vervolgens ook gemodelleerd moeten worden in TOTEM.

Combinatie van compact en biogebaseerd (OPTIM 5)

Financiële kost en milieu-impact

Op gebouwniveau kan de milieu-impact met 28 % (school) tot 31 % (woning) worden verlaagd. 

De levenscycluskost van de woning stijgt met 11 %, terwijl deze bij de school met 3 % stijgt.

Ereloon

De ereloonkost voor het ontwerp en de werfopvolging ligt lager dan voor het BAU-scenario aangezien er compacter gebouwd wordt. De besparing hiervan is groter dan de stijging van de investeringskost door het gebruik van biogebaseerde materialen en resulteert in een daling van 19 % bij de woning en van 1 % bij de school. 

Het ereloon gekoppeld aan de TOTEM-modellering is gelijkaardig aan dat van de materiaaloptimalisatie in OPTIM1. Er moet namelijk op twee fronten geoptimaliseerd worden: compactheid en biogebaseerde materialen.

Conclusies

Vanuit milieuoogpunt levert de combinatie van compact bouwen en biogebaseerd bouwen het beste resultaat.

Financieel gezien zou een betere uitkomst behaald worden door compact bouwen te combineren met de houtskeletvariant.

De studie toont aan dat de levenscyclus milieu-impact van gebouwen significant kan dalen (tot 30 %) door materiaalkeuzes en ontwerp te optimaliseren. Hoewel sommige strategieën leiden tot meerkosten, zijn er ook optimalisatiescenario's die tot reducties in investeringskosten en/of levenscycluskosten kunnen leiden. Dit benadrukt het belang om al in de vroege ontwerpfasen de milieu-impact en kosten van ontwerpbeslissingen af te wegen.

 


Dit circulaire materialenverhaal is gepubliceerd in 2025.

Team Onderzoek en Monitoring

Hebt u een vraag voor dit team? Stel ze hier:

Adres
Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid