Dode dieren worden volgens de Europese regelgeving over dierlijke bijproducten beschouwd als dierlijke bijproducten. Zij kunnen een negatief effect hebben op de gezondheid van mens, dier of milieu als ze niet correct worden verwijderd. Dieren staan immers in nauw contact met de mens en hebben een rechtstreekse verband met voedselproductie en meststoffenbeleid.

De Europese regelgeving definieert 3 types dieren: 

  • Landbouwhuisdieren zijn “alle dieren die door de mens worden gehouden, vetgemest of gefokt en die worden gebruikt voor de productie van voedsel, wol, bont, veren, huiden of een ander dierlijk product of voor andere veeteeltdoeleinden; en paardachtigen”. De Europese definitie spreekt van ‘landbouwhuisdieren’. Vlaamse teksten gebruiken meestal het woord ‘landbouwdieren’.
  • Gezelschapsdieren zijn “alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, doch niet gegeten, en die niet voor veeteelt worden gehouden”.
  • Wilde dieren zijn “alle niet door de mens gehouden dieren”.

Dit onderscheid kan niet altijd eenduidig worden gemaakt. Landbouwdieren worden immers ook gehouden als gezelschapsdier. Wilde dieren worden vaak wél gehouden, zoals in dierentuinen of circussen.

Naargelang de diersoort is er een inschatting van het risico dat dit gestorven dier betekent voor de veiligheid van de voedsel- en diervoederketen. De verordening kent 3 categorieën, waarvan categorie 1 degene met het hoogste risico is.

Dode landbouw-, dierentuin-, circus- en gezelschapsdieren en alle andere dieren die gevoelig zijn aan overdraagbare spongiforme encephalopathieën (zoals de dollekoeienziekte) worden geklasseerd als categorie 1-materiaal. Deze dode dieren moeten steeds zodanig verwijderd worden dat ze niet meer in de voedsel-, voeder- of meststoffenketen kunnen terechtkomen.

Andere dode dieren worden geklasseerd als categorie 2-materiaal. Afgeleide producten van categorie 2-materiaal mogen onder strikte voorwaarden nog gebruikt worden in meststoffen en bodemverbeterende middelen. 

Inzameling, opslag en verwerking

Dode dieren moeten worden opgehaald door geregistreerde inzamelaars, op enkele uitzonderingen na.

Specifiek voor landbouwdieren kan u alleen terecht bij Rendac. Als eigenaar mag u een gestorven landbouwdier dus nooit zelf naar een verwerker vervoeren.

Voor gezelschapsdieren en kleinere landbouwdieren of paarden, die als gezelschapsdier worden gehouden, zijn er meerdere inzamelaars. Deze bedrijven voeren het dier af naar een erkend verwerker. Deze verwerker kan Rendac zijn, maar er zijn ook inzamelaars die afvoeren naar dierencrematoria. De eigenaar mag zijn gestorven gezelschapsdier transporteren zonder dat registratie vereist is. Dat geldt ook voor de dierenarts. 

Bij de opslag van dode dieren moeten de risico's voor besmetting van mens of dier en voor de vervuiling van het leefmilieu beperkt worden.

Landbouwdieren

Gestorven landbouwdieren mogen niet worden begraven. Dit verbod geldt ook als ze als huisdier werden gehouden. De kans op verspreiding van dierziektes met ernstige gevolgen voor de veeteeltsector en de landbouw is immers te groot.

Het gestorven dier moet binnen de 24 uur bij een geregistreerd inzamelaar worden aangemeld voor ophaling. De inzamelaar moet het dier binnen de 2 werkdagen ophalen. Bij dreiging of uitbraak van een dierziekte kunnen bijkomende voorwaarden worden opgelegd.

De dieren moeten worden opgehaald door een geregistreerd inzamelaar van landbouwdieren. In België gebeurt dit voornamelijk door de firma Rendac. Voor kleine landbouwdieren en paarden zijn ook enkele dierencrematoria erkend.

Voor de opslag in afwachting van ophaling bij landbouwbedrijven legt Vlarem II artikel 5.9.8.4§4 specifieke voorwaarden op.

Ook de bereikbaarheid voor de ophaalwagen van de inzamelaar is belangrijk. Het dode dier moet op een eenvoudig bereikbare plaats worden aangeboden, afgedekt en zo dicht mogelijk bij de openbare weg, op een plek die voor de vrachtwagen en de chauffeur voldoende ruimte biedt voor de ophaling.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten legt voorwaarden op voor koeling van de dode dieren vooraleer ze worden opgehaald:

  • inzameling binnen twee werkdagen na overlijden, als het gestorven dier wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur hoger die hoger is dan 5°C
  • minstens één inzameling per twee weken, als de gestorven dieren worden bewaard in een actief gekoelde afgesloten ruimte of in een recipiënt waarin de temperatuur maximaal 5°C bedraagt
  • inzameling op verzoek van de exploitant, als de gestorven dieren worden bewaard in een actief gekoelde afgesloten ruimte of in een recipiënt waarin de temperatuur maximaal -18°C bedraagt

De ingezamelde dieren worden verwerkt met een specifieke – wettelijk vastgelegde – warmtebehandeling. Deze warmtebehandeling resulteert in eiwitpoeder (diermeel) en gesmolten dierlijke vetten. Het diermeel kan gebruikt worden als brandstof, bijvoorbeeld in de cementindustrie. De vetten worden gebruikt om biobrandstoffen te produceren.

In België is slechts één bedrijf erkend als verwerker van dode landbouwdieren, namelijk Rendac. Deze dieren worden beschouwd hetzij als categorie 1- hetzij als categorie 2-materiaal. Ze worden wel samen opgehaald en verwerkt. Een mengsel van verschillende categorieën krijgt het label van de meest risicovolle categorie toegekend. Het diermeel en het dierlijk vet dat na de verwerking overblijft, is dus categorie 1-materiaal. Dat is alleen bestemd voor verdere verwijdering.

Diermeel en dierlijke vetten die enkel van categorie 2-materiaal afkomstig zijn, mogen ook nog voor andere doeleinden worden gebruikt, zoals toepassingen in meststoffen of oleochemie.

Gezelschapsdieren

Nadat uw gezelschapsdier is overleden, kan u er op verschillende manieren afscheid van nemen.

Begraven in de tuin

Hou daarbij rekening met deze richtlijnen:

  • het dier moet voldoende diep worden begraven
  • het dier mag maximaal 10 kg wegen
  • specifieke gemeentelijke voorschriften (bijvoorbeeld bepalingen rond drinkwaterwinningsgebieden)

Dierenarts

Als uw dier gestorven is bij de dierenarts of thuis, maar door een handeling van de dierenarts (bv. tijdens de behandeling of door euthanasie) dan mag de dierenarts het dier meenemen en tijdelijk in zijn praktijk opslaan. Als het dier zonder tussenkomst van de dierenarts overlijdt, mag u het niet naar de dierenarts brengen, tenzij die een specifieke erkenning heeft voor de opslag van dode dieren conform de Verordeningen 1069/2009 en 142/2011.

Recyclagepark

Een beperkt aantal recyclageparken is vergund en erkend (in het kader van de Verordeningen 1069/2009 en 142/2011) voor een tijdelijke opslag van overleden gezelschapsdieren van particulieren. De dode dieren worden daar verzameld in een koel- of vriescel en later opgehaald en verwerkt door een geregistreerd inzamelaar van landbouwdieren. In België is dat voorlopig enkel Rendac.

Dierencrematorium

Overleden dieren kunnen rechtstreeks gecremeerd worden in een erkend dierencrematorium. Het dierencrematorium moet hiervoor beschikken over een omgevingsvergunning (Vlarem rubriek 2.3.4.1.i) en een erkenning in het kader van de Verordeningen 1069/2009 en 142/2011.

Dekentjes, knuffels, speelgoedjes en dergelijke mogen niet mee verbrand worden.

De assen die ontstaan tijdens een crematie kunnen

  • worden meegenomen door de eigenaar;
  • worden uitgestrooid op een strooiweide verbonden aan het crematorium;
  • worden verwijderd als afvalstroom van het dierencrematorium.

Sommige dierencrematoria mogen ook kleine landbouwdieren (minder dan 100kg) en paarden aanvaarden. Het dier moet in zijn geheel in de oven passen. De kosten voor ophaling en crematie kunnen niet verhaald worden op de Vlaamse overheid.

Dierenbegraafplaats

In Vlaanderen is er ook de mogelijkheid om gezelschapsdieren te begraven op een dierenbegraafplaats. De dierenbegraafplaats moet hiervoor over een omgevingsvergunning beschikken en een erkenning conform de Europese regelgeving rond dierlijke bijproducten.

Watercrematie

Watercrematie, ook resomeren genoemd, is geen toegelaten verwerkingsmethode volgens de bevoegde Europese regelgeving.

Om deze verwerkingsmethode te laten opnemen als toegelaten alternatief, moet u via het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) een dossier indienen bij het European Food Safety Agency. Dat dossier moet aantonen dat de techniek performant en veilig is, en moet opgemaakt worden door de bedrijven zelf of de overkoepelende beroepsorganisatie. 

In andere lidstaten bestaan (piloot)installaties met een voorlopige toelating, met het oog op het indienen van een dergelijk dossier voor het European Food Safety Agency. De bekomen residuen worden dan beschouwd als onverwerkt dierlijk bijproducten en moeten afgevoerd worden naar een erkend verwerker van categorie 1-materiaal.

Nederland diende begin 2025 een dossier in. Het kreeg echter een negatief advies van het European Food Safety Agency.

Andere dieren

Dieren afkomstig van dierentuinen of circussen

Deze dieren mogen niet worden begraven. Ze moeten worden opgehaald door een geregistreerd inzamelaar van dode dieren als categorie 1-materiaal.

Ongedierte

Dood ongedierte dat vrijkomt bij ongediertebestrijding wordt aanzien als een afvalstof. Aangezien ze door de bestrijding mogelijk schadelijke stoffen bevatten, moeten ze worden verwijderd als ongevaarlijk bedrijfsafval of restafval, op voorwaarde dat dit geen overlast (bv. geurhinder, ander ongedierte) veroorzaakt.

Wilde dieren

Dieren zonder (gekende) eigenaar of in het wild levende dieren worden als res nullius dieren gedefinieerd: “dieren die niet onder de eigendom van een persoon vallen en die leven op terreinen of plaatsen die niet afgesloten zijn door een doorlopende constructie die erop gericht is de verspreiding van de dieren naar omliggende terreinen en plaatsen onmogelijk te maken, ongeacht de aard of de bedekking van die plaatsen”. 

Wettelijk gezien vallen de krengen van wilde dieren buiten de bevoegdheid van OVAM maar ook buiten de bevoegdheid van het Agentschap Natuur en Bos.

Hoewel de krengen van res nullius dieren in principe niet verschillen van andere krengen, worden in het wild levende dieren uitgesloten uit het toepassingsgebied van de Europese regelgeving rond dierlijke bijproducten (Verordeningen 1069/2009 en 142/2011). 

Nochtans bevatten beide verordeningen richtlijnen die er voor zorgen dat de verwijdering van krengen geen hinder vormt voor mens en milieu. OVAM en het Agentschap Natuur en Bos menen dan ook dat (delen van) krengen van wilde dieren in analogie met deze wetgeving moeten worden verwijderd als ze hinderlijk zijn voor mens en milieu.

Als evenwel door ziekte bij in het wild levende dieren een risico ontstaat voor de volksgezondheid, de diergezondheid of de natuur, is niet alleen de regelgeving over dierlijke bijproducten terug van toepassing, maar treedt het Wildedierenziektedecreet in werking. Dan kunnen specifieke bioveiligheidsmaatregelen opgelegd worden. Deze zijn te vinden op de ANB-website.

OVAM en het Agentschap voor Natuur en Bos geven onderstaande aanbevelingen voor de verwijdering van krengen van de verschillende res nullius dieren. Deze werden afgetoetst met de jachtvereniging en de natuurverenigingen. Ze zijn niet bindend maar bedoeld om hinder te voorkomen.

  • Als u een gestorven dier op een openbare plaats aantreft, contacteert u best de gemeente.
  • Voor dieren die gedood werden door jacht of bestrijding, wordt aanbevolen om ze ter plaatse te begraven in een kuil die bedekt wordt met minimum 15 cm aarde. Dit geldt niet voor everzwijnen. Deze krengen moeten opgehaald worden door een geregistreerd inzamelaar.
  • Voor dieren die stierven door een andere reden, bijvoorbeeld bij een aanrijding, wordt aanbevolen om de lokale overheid (gemeente, provincie of gewest) te contacteren.
  • Soms sterft een dier op een plek die niet bereikbaar is. Dan kan het geval zijn in natuurgebieden waar grote grazers worden ingezet in het kader van het beheer ervan. In dat geval kan OVAM de toelating geven om het dier ter plaatse achter te laten, op voorwaarde dat dit geen hinder met zich meebrengt voor de omgeving.

Krengenfinanciering

Vlaanderen beschikt over een goed uitgebouwd inzamel- en verwerkingsnetwerk voor dode landbouwdieren. Dit blijft het eerstelijns inzamelsysteem voor dode landbouwhuisdieren. 

De ophaling en verwerking van krengen is een zware financiële last voor veehouders. Het diermeel en het dierlijke vet dat na verwerking overblijft, mag immers niet worden gebruikt voor de productie van veevoeder, meststoffen of andere recyclagetoepassingen. Het moet vernietigd worden.

De Vlaamse overheid beslist dan ook jaarlijks om een deel van deze kosten te dragen. Sinds 1 januari 2025 valt deze cofinanciering onder de bevoegdheid van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij

Voor de ophaling en verwerking van dode gezelschapsdieren bestaat er geen subsidieregeling. Het baasje van het dier moet deze kost volledig zelf dragen.

Taxidermie en gebruik in de wetenschap

Dode dieren of delen ervan kunnen dienen voor didactische doeleinden, wetenschappelijk onderzoek of taxidermie. Denk bijvoorbeeld aan de dissectie van een konijn op school, de autopsie van een aangespoeld zeezoogdier, opgezet jachtwild, (gevonden) schedels en botten.

In al deze gevallen zijn de dode dieren geen afvalstoffen. De gebruiker wil zich immers niet van dit materiaal ontdoen. Daarom vallen deze toepassingen niet onder de bevoegdheid van OVAM, maar van de Federale Overheidsdienst voor Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Voorschriften werden vastgelegd in het Koninklijk Besluit van 4 mei 2015.

Als je als particulier dode dieren of botten vindt en deze verzamelt, is dit een soort van ‘eindpunt’ voor deze botten. Ze kunnen niet terug in een keten komen waar ze een gevaar kunnen betekenen voor de gezondheid van mens of dier. Hou wel rekening met de status van het dier. Sommige dieren zijn beschermd en mag je niet in je bezit hebben, ook niet als ze dood zijn.

Team Bio

Hebt u een vraag voor dit team? Stel ze hier:

Adres
Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid