Standaardprocedure OBO

BEMONSTERINGSSTRATEGIE 11: Moeten in het oriënterend bodemonderzoek ook lozingspunten in bevaarbare waterlopen onderzocht worden?

Ja, ook de lozingspunten in bevaarbare waterlopen moeten onderzocht worden in een oriënterend bodemonderzoek. 

BEMONSTERINGSSTRATEGIE 11: Moeten lozingspunten gekoppeld aan activiteiten die niet opgenomen zijn in die 'lijst met risico-activiteiten met een verhoogde kans op het veroorzaken van waterbodemverontreiniging' steeds onderzocht worden?

De lijst in bijlage 6 is richtinggevend. U maakt steeds een inschatting van de kans op verontreiniging. Let op! In de code van goede praktijk – versie maart 2026 is een geactualiseerde lijst met risico-activiteiten met een verhoogde kans op het veroorzaken van waterbodemverontreiniging’ opgenomen.

BEMONSTERINGSSTRATEGIE 11: Moet de bodemsaneringsdeskundige ook de voormalige lozingspunten van een vorige exploitant onderzoeken?

Ja, u onderzoekt zowel de huidige als voormalige lozingspunten en andere potentiële bronnen van waterbodemverontreiniging. In welke gevallen veldwerk en analyse nodig zijn, leest u  in paragraaf 4.2.14.1 Noodzaak tot onderzoek van waterbodem en oevers in de standaardprocedure Oriënterend bodemonderzoek.

BEMONSTERINGSSTRATEGIE 11: Moeten laad- en loskaaien voor schepen gekoppeld aan een bedrijfsterrein onderzocht worden? 

Het laden en lossen van schepen met materialen waarvan de bodemsaneringsdeskundige oordeelt dat die waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken, wordt volgens bemonsteringsstrategie 11 beschouwd als een 'andere aanwijzing voor een waterbodemverontreiniging'. Als deze activiteit (laden en lossen) gekoppeld is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie, moet die onderzocht worden in het oriënterend bodemonderzoek. 

BEOORDELING: De evaluatie van de analyseresultaten van de waterbodem wordt gekoppeld aan de onderzoekslocatie. In een dossier werd verontreiniging vastgesteld in de waterbodem, waarvoor verder onderzoek nodig is (Q-zin). Ter hoogte van de onderzoekslocatie werden ook enkele verontreinigingen vastgesteld, waarvoor geen verder onderzoek nodig is (P-zin). De vastgestelde waterbodemverontreiniging lijkt niet gerelateerd aan de lozing vanuit het onderzoeksperceel. Welke zin wordt toegekend aan de onderzoekslocatie?

De evaluatie van de analyseresultaten van de waterbodem wordt gekoppeld aan de onderzoekslocatie.  

Ook al zijn er geen verdere maatregelen nodig voor een eventuele bodemverontreiniging (op het land), toch krijgt de onderzoekslocatie wel een Q-zin of een W-zin door de waterbodemverontreiniging. De onderzoekslocatie kan enkel een W-zin krijgen voor waterbodemverontreiniging als eenduidig wordt aangetoond dat de waterbodemverontreiniging volledig tot stand kwam op een andere grond en dus voor 0% gerelateerd is aan de onderzoekslocatie. 
In het samenvattend besluit geeft u aan of er werd of wordt geloosd op het oppervlaktewater. Als er werd of wordt geloosd op het oppervlaktewater, geeft u aan of het lozingspunt werd onderzocht. Als u waterbodemverontreiniging vaststelt, geeft u aan of die gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie. Als de waterbodemverontreiniging gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie, geeft u ook aan of ze volledig gerelateerd is aan deze exploitatie.  

Hetzelfde geldt voor andere activiteiten of bronnen die waterbodemverontreiniging kunnen veroorzaken: U gaat steeds na of de activiteit op de onderzoekslocatie aanleiding kan geven tot waterbodemverontreiniging.   

Als u besluit dat de vastgestelde waterbodemverontreiniging (gedeeltelijk) gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie (> 0% toewijsbaar aan de exploitatie op de onderzoekslocatie), kent u een Q-zin toe aan de onderzoekslocatie.  

Als u besluit dat de vastgestelde waterbodemverontreiniging niet gerelateerd is aan de exploitatie op de onderzoekslocatie (0% toewijsbaar aan de exploitatie op de onderzoekslocatie), kent u een W-zin toe aan de onderzoekslocatie: 'De vastgestelde bodemverontreiniging is niet tot stand gekomen op deze grond. De saneringsplicht rust bij de eigenaar of gebruiker van de grond waar de bodemverontreiniging tot stand kwam.'.

BEOORDELING: Moet in een oriënterend bodemonderzoek een aard worden toegekend aan een waterbodemverontreiniging?

In hoofdstuk XII (Waterbodems) van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 is geen onderscheid voorzien tussen historische, nieuwe en gemengde waterbodemverontreiniging. In een oriënterend bodemonderzoek echter, wordt er wel een aard toegekend aan de waterbodemverontreiniging. Het is voorlopig niet mogelijk in MISTRAL een waterbodemverontreiniging toe te voegen zonder een aard toe te kennen. Een waterbodemverontreiniging krijgt een Q-zin (verdere maatregelen) wanneer deze waterbodemverontreiniging een Duidelijke Aanwijzing voor een Ernstige Waterbodemverontreiniging (DAEW) vormt, ongeacht de aard (historisch, nieuw, gemengd) van de waterbodemverontreiniging. 

BEOORDELING: Moeten er in het oriënterend bodemonderzoek ook oppervlaktewaterstalen genomen worden? Moet de bodemsaneringsdeskundige een uitspraak doen over het oppervlaktewater?

In het oriënterend bodemonderzoek moet het oppervlaktewater niet onderzocht worden. Als er gegevens zijn voor oppervlaktewater (bijvoorbeeld bij VMM) kunt u die wel in overweging nemen bij de DAEW, beoordeling en conclusie. U moet in een oriënterend bodemonderzoek geen uitspraak doen over de kwaliteit van het oppervlaktewater.  

BEOORDELING: Uit het oriënterend bodemonderzoek blijkt dat er verdere maatregelen nodig zijn voor een waterbodemverontreiniging die deels is tot stand gekomen op de onderzoekslocatie. Wie neemt de volgende stappen?

Wanneer waterbodemverontreiniging deels tot stand kwam op een onderzoekslocatie, en een Duidelijke Aanwijzing voor een Ernstige Waterbodemverontreiniging (DAEW) vormt, zijn er verdere maatregelen nodig voor deze waterbodemverontreiniging. 

De onderzoeksresultaten uit het oriënterend bodemonderzoek worden opgenomen in de waterbodemverkenner. Op basis van de waterbodemverkenner, selecteert OVAM prioritair te onderzoeken waterbodems. Uit deze selectie kan de Vlaamse Regering waterbodems aanwijzen waarvoor een waterbodemonderzoek moet worden uitgevoerd, op eigen initiatief en op eigen kosten van de beheerder van de waterbodem en binnen een termijn bepaald door de Vlaamse Regering (hoofdstuk XII van titel III van het Bodemdecreet).  

Dit waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens de richtlijnen van de code van goede praktijk 'Onderzoek van waterbodem en oevers' voor het aangewezen (traject van) de waterloop. Ook de waterbodemverontreiniging die tot stand gekomen is op de onderzoekslocatie wordt dan onderzocht in het waterbodemonderzoek. 

Ook de verplichting om op eigen kosten de waterbodemsanering uit te voeren, rust op de beheerder van de waterbodem. Wanneer echter voor de verontreiniging van de waterbodem kan worden aangewezen op welke grond ze tot stand gekomen is, rust de saneringsplicht op de exploitant/gebruiker/eigenaar van deze grond.

In uitzonderlijke gevallen, en onder meer afhankelijk van de verwachte risico's van de verontreiniging en de mate waarin een koppeling kan worden gelegd tussen het betrokken perceel en de aangetroffen verontreiniging,  zal OVAM volgens de algemene saneringsplichtregeling (hoofdstuk III van titel III van het Bodemdecreet) op basis van de resultaten van het oriënterend bodemonderzoek de saneringsplichtige exploitant/gebruiker/eigenaar van de onderzoekslocatie aanmanen om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren voor de waterbodemverontreiniging die tot stand kwam op de onderzoekslocatie. 

BEOORDELING: Hoe ga ik om met een waterbodemverontreiniging die niet volledig toewijsbaar is aan de onderzoekslocatie?

In het oriënterend bodemonderzoek bouwt u uw besluit voor waterbodems als volgt op (hoofdstuk 8.4.6 standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek): 

Vaak is in het oriënterend bodemonderzoek onvoldoende informatie aanwezig om de waterbodemverontreiniging toe te wijzen aan een bepaalde bron of bronnen. Daarom is het niet nodig om in deze fase al de bronnen in kaart te brengen.

Het is wel nodig om een uitspraak te doen over de 'toewijsbaarheid' aan de activiteiten op de onderzoekslocatie, zonder het aandeel van de verontreiniging tot stand gekomen op de onderzoekslocatie te bepalen voor verontreinigingen die slechts deels tot stand kwamen op de onderzoekslocatie. Met andere woorden, u besluit of een waterbodemverontreiniging 0%, 100% of deels toewijsbaar is aan de onderzoekslocatie. 

Bijvoorbeeld: 

  • Verontreiniging 1: 100 % toewijsbaar aan de onderzoekslocatie

  • Verontreiniging 2: 0% toewijsbaar aan de onderzoekslocatie

  • Verontreiniging 3: deels toewijsbaar aan de onderzoekslocatie

  • Verontreiniging 4: deels toewijsbaar aan de onderzoekslocatie

Dit neemt niet weg dat er voor al deze verontreinigingen verdere maatregelen nodig zijn; er wordt een Q-zin toegekend aan de waterbodemverontreiniging.

De aanwezigheid van waterbodemverontreiniging vormt geen rem op de overdracht van de onderzoekslocatie (artikel 104, §4 en artikel 109, §3 van het Bodemdecreet). OVAM zal slechts in uitzonderlijke gevallen de saneringsplichtige exploitant/gebruiker/eigenaar van de onderzoekslocatie aanmanen om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren voor de waterbodemverontreiniging die tot stand kwam op de onderzoekslocatie. 

In het geval de saneringsplichtige niet is aangemaand, en vrijwillig een beschrijvend bodemonderzoek uitvoert voor de waterbodemverontreiniging, kan dit beschrijvend bodemonderzoek beperkt worden tot het onderzoek van de waterbodemverontreiniging die tot stand kwam op de onderzoekslocatie.

BEOORDELING: Als de waterbodem ter hoogte van het lozingspunt wordt onderzocht in een oriënterend bodemonderzoek, hoe wordt de uitspraak voor de waterbodem dan ingevoerd in MISTRAL?

Als de waterbodem aan een lozingspunt wordt onderzocht in een oriënterend bodemonderzoek, wordt de evaluatie van de analyseresultaten van de waterbodem gekoppeld aan de onderzoekslocatie; dit is de grond waarop de exploitatie verbonden aan het lozingspunt in uitbating is/was. U moet dus geen grondtype 'openbaar domein' aanmaken in het oriënterend bodemonderzoek.  Zie hiervoor ook p.80 in ‘Hoofdstuk 6 Beoordeling’ van de standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek. 

RAPPORTERING EN GEGEVENSOVERDRACHT: In het oriënterend bodemonderzoek moet het VHA-segment van de waterloop die onderzocht werd, opgenomen worden in de tabel met identificatie van de betrokken gronden (tabel 17 uit de standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek). Zijn hier vormvereisten voor?

U beschrijft de administratieve gegevens van de gronden volgens tabel 17.  
In tabel 17 vult u voor de waterloop het gemeentenummer, de sectie en de gemeente in. Het nummer van het VHA-segment kunt u ingeven in de kolom 'Adres'. De beheerder van de waterloop vult u in de kolom 'Persoon' in. 

RAPPORTERING EN GEGEVENSOVERDRACHT: In een oriënterend bodemonderzoek wordt de waterbodemverontreiniging ingevuld in tabel 25 (samenvattende tabel van de verontreinigingen). Moet de waterbodemverontreiniging ook ingevuld worden in tabel 26 (samenvatting van de verontreinigingstoestand per grond). Zijn hier vormvereisten voor?

U vult de waterbodemverontreiniging ook in in tabel 26 (samenvatting van de verontreinigingstoestand per grond). De vormvereisten zijn dezelfde als voor elk ander medium; u vult als medium in: 'sediment' of 'vaste deel van de waterbodem' al naargelang het medium dat werd geanalyseerd. 


Code van Goede Praktijk Waterbodems

STAALNAME: Moet in een oriënterend bodemonderzoek aan een lozingspunt ook het vaste deel van de waterbodem worden onderzocht?

Ja, aan een lozingspunt bemonstert u het sediment en het onderliggende vaste deel van de waterbodem (volgens paragraaf 9.2 van de code van goede praktijk Onderzoek waterbodem en oevers).

STAALNAME: Hoe veilig en correct waterbodemstalen nemen?

De erkende bodemsaneringsdeskundige en de staalnemer moeten te allen tijde de veiligheid van de staalnemer waarborgen. Bij elke staalname wordt het meest geschikte materiaal ingezet.

CMA/1/A4 beschrijft de meest gangbare manuele staalnametechnieken voor de in-situ staalname van waterbodems. Hierbij worden zowel bevaarbare als onbevaarbare lineaire waterlopen, evenals niet-lineaire wateroppervlakken (zoals vijvers, poelen, wachtbekkens en meren) in beschouwing genomen.

De keuze van de staalnametechniek wordt afgestemd op de karakteristieken van de waterloop. Indien de beschreven technieken niet geschikt zijn of onvoldoende garanties bieden voor de veiligheid van de staalnemer, wordt gebruikgemaakt van meer gespecialiseerde apparatuur. Voorbeelden hiervan zijn hydraulische en/of mechanische systemen met hijsinrichtingen. Deze staalnames vallen buiten het toepassingsgebied van deze procedure.

Om CMA/1/A4 (ontwerp mei 2026 op CMA/1/A.4: In situ staalname van waterbodem) beter af te stemmen op de complexe praktijkrealiteit, wordt een aanvulling van dit CMA uitgewerkt voor o.a. mechanische staalnametechnieken en staalname in bevaarbare waterlopen. 

STAALNAME: Hoe bepaal je de diepte van een waterbodemverontreiniging?

De diepte van een waterbodemverontreiniging wordt weergegeven ten opzichte van de top van het sediment (en dus niet ten opzichte van het wateroppervlak).

DAEW: We stellen enerzijds een overschrijding van de triggerwaarde vast voor een stof in het sediment en anderzijds voor een andere stof in het vaste deel van de waterbodem op dezelfde locatie. Moeten deze verontreinigingen samen beoordeeld te worden in eenzelfde DAEW of moet er een DAEW per medium opgemaakt worden?

U doorloopt de DAEW per medium, waarbij u het sediment en het vaste deel van de waterbodem als aparte media beschouwt. U voert dus een DAEW uit voor het sediment en een aparte DAEW voor het vaste deel van de waterbodem.

DAEW: Bij de evaluatie DAEW wordt een landgebruik geselecteerd. Hoe interpreteert u een sportterrein (voetbalveld)? De onderzochte waterloop heeft geen ‘zwemdoeleinden’.

In criterium 2 binnen blok 2 'Landgebruik' van de DAEW kunt u kiezen tussen Natuurgebied, Agrarisch gebied, Wonen, Recreatie en Bedrijf.  
U bepaalt wat het werkelijke ruimtegebruik is op beide oevers van de waterloop in de zone van de waterbodemverontreiniging en op beide oevers ter hoogte van het aanpalend, stroomafwaarts gelegen perceel (ten opzichte van de waterbodemverontreiniging). U evalueert dit in eerste instantie op basis van de ruimteboekhouding RSV. Wanneer uit uw terreinbezoek, of uit gesprekken met de opdrachtgever of omwonenden blijkt dat het reële gebruik afwijkt van de ruimteboekhouding RSV, gebruikt u die gegevens in uw beoordeling. Wanneer er in de zone met waterbodemverontreiniging, of onmiddellijk stroomafwaarts ervan gevist of gesport wordt, hanteert u het ruimtegebruik ‘recreatie’. 
Sportterreinen vallen onder 'Recreatie'. 
Als u oordeelt dat er redenen zijn om af te wijken op de standaardcriteria, kunt u dit motiveren in criterium 5 'Andere aanwijzingen' van blok 4 'Andere criteria'. 


Standaardprocedure BBO

RAPPORTERING EN GEGEVENSOVERDRACHT: In een beschrijvend bodemonderzoek wordt vastgesteld dat de verontreiniging ook aanwezig is in de waterbodem. Moet deze waterloop dan ook in de tabel administratieve gegevens aangeduid worden als 'openbaar domein – waterweg'? Als de verontreiniging ontstaan is door oeverdeponie op perceel X, wordt perceel X dan beschouwd als het bronperceel of de waterloop waaruit het slib verwijderd werd?

Als de verontreiniging ook aanwezig is in de waterloop moet de waterloop ook opgenomen worden in het beschrijvend bodemonderzoek, zoals bij een ander openbaar domein. In het rapport vermeldt u ook het VHA-segment en de Lambertcoördinaten van de hoekpunten van de verontreinigde zone in de waterloop. U vermeldt ook de waterloopbeheerder en de eigenaar van de grond.  
Als de bodemverontreiniging tot stand kwam door oeverdeponie, beschouwen we de grond waarop de oeverdeponie werd geplaatst als bronperceel.  


Varia

OVERDRACHT: Een onderzoekslocatie waaraan waterbodemverontreiniging gekoppeld is, kan worden overgedragen. Hoe wordt de verwerver geïnformeerd over de aanwezigheid van een waterbodemverontreiniging?

De verwerver ontvangt informatie via een Q-zin in het bodemattest. Het bodemattest vermeldt de waterbodemverontreiniging niet uitdrukkelijk, maar wel het bodemonderzoek waarin de waterbodemverontreiniging wordt vastgesteld. De 'Uitspraak aard en ernst van de bodemverontreiniging' én de bodemverontreinigingsfiche vermelden de waterbodemverontreiniging wel.  

Bij de overdracht van een grond waarop een waterbodemverontreiniging is tot stand gekomen, adviseert OVAM dat overdrager en verwerver contractueel vastleggen op welke manier zij omgaan met de verplichtingen die volgen uit de aanwezigheid van waterbodemverontreiniging.  

ONDERZOEKSPLICHT: Hoe gaat men te werk bij vermengde waterbodemverontreiniging?

Het onderzoek van de waterbodem in het oriënterend bodemonderzoek is in eerste instantie bedoeld om gegevens te verzamelen, om de waterbodemverkenner te voeden. Op basis van de data in de waterbodemverkenner worden prioritair te onderzoeken waterbodems geselecteerd. Waterbodems met een hoge onderzoeksprioriteit zullen worden aangewezen door de Vlaamse Regering. In het kader van een waterbodemonderzoek - dat wordt uitgevoerd door de waterloopbeheerder - worden de bronnen van verontreiniging aangeduid en wordt het aandeel van elke verontreinigingsbron in de vermengde waterbodemverontreiniging bepaald.

OPDRACHTTYPES: Wat is het verschil tussen een waterbodemonderzoek en de waterbodem onderzoeken in een oriënterend, beschrijvend bodemonderzoek?

Een waterbodemonderzoek (hoofdstuk XII Bodemdecreet) is een apart opdrachttype. Het wordt uitgevoerd voor een (deel van) een waterloop, meestal in opdracht van de waterloopbeheerder na aanwijzing van de waterloop door de Vlaamse Regering. Een waterbodemonderzoek kan ook vrijwillig worden uitgevoerd. In een waterbodemonderzoek worden alle potentiële bronnen en alle verdachte stoffen onderzocht langsheen het te onderzoeken traject/de te onderzoeken waterloop. In een oriënterend bodemonderzoek of beschrijvend bodemonderzoek waarin de waterbodem onderzocht wordt, gaat men uit van de potentiële bronnen (bijvoorbeeld lozingspunten) en verdachte stoffen gerelateerd aan de onderzoekslocatie die het onderwerp is van het oriënterend of beschrijvend bodemonderzoek. 

OPDRACHTTYPES: Het verslag van een waterbodemonderzoek (verkennende fase) moet niet worden ingediend als er een DAEW is. Geldt dit enkel bij een waterbodemonderzoek en niet bij een oriënterend bodemonderzoek?

Het verslag van een verkennende fase van een waterbodemonderzoek wordt niet ingediend bij OVAM als er een DAEW is. U kunt dan onmiddellijk overgaan naar de afperkende fase van het waterbodemonderzoek.  

Een oriënterend bodemonderzoek waarin waterbodemverontreiniging wordt vastgesteld, kunt u wel indienen bij OVAM. U hoeft dan niet automatisch over te gaan tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek.  

Team Publieke instellingen

Subteam Waterbodem

Hebt u een vraag voor dit team? Stel ze hier:

Adres
Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid