Bij het produceren en verwerken van biomassa komen reststromen vrij. We spreken dan van organisch-biologische afvalstoffen waarvoor OVAM bevoegd is. Het Vlarema artikel 1.2.1§2 61/1° definieert organisch-biologisch bedrijfsafval als: “het organisch-biologisch afval van bedrijven, met inbegrip van keukenafval en etensresten en levensmiddelenafval”. Bedrijven omvatten alles wat niet huishoudelijk van aard is. Denk bijvoorbeeld aan kantoren, verenigingen, openbare besturen, landbouw.

Inzameling en transport

Volgende soorten organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen moet u verplicht sorteren en selectief inzamelen:
  • dierlijke en plantaardige oliën en vetten
  • groenafval
  • houtafval
  • keukenafval en etensresten
  • levensmiddelenafval, al dan niet verpakt

Voor elke van deze deelstromen vindt u op deze website een webpagina die daar specifiek aan gewijd is.

Voor selectief ingezameld recycleerbaar afval, zoals organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen, geldt een stort- en verbrandingsverbod (Vlarema artikel 4.5).

Bij het transport van plantaardige afvalstoffen binnen Vlaanderen gelden de algemene voorwaarden van het afvalstoffentransport.

Als het organisch-biologisch bedrijfsafval dierlijke ingrediënten bevat, wordt het afval beschouwd als een dierlijke bijproduct. Voor het afvalstoffentransport van dierlijke bijproducten gelden andere voorwaarden.

Verwerking en gebruik

OVAM streeft ernaar biomassa(rest)stromen zo hoogwaardig mogelijk in te zetten, in lijn met de principes van de ladder van Lansink. Die ladder geeft voorrang aan preventie, hergebruik en materiaalvalorisatie boven laagwaardige vormen van verwerking. Door dit kader te hanteren, wil OVAM de milieu-impact beperken en zoveel mogelijk waarde uit materialen behouden.

Verwerking en gebruik van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen is zo divers als het materiaal zelf. Wettelijke bepalingen, waaronder de verbrandingsverboden en Europese regelgeving over dierlijke bijproducten, beïnvloeden mee het aanbod en de bestemming.

Afhankelijk van onder meer de aard en de oorsprong van het materiaal, de samenstelling en de beoogde toepassing zijn zeer verschillende wetgevingen en voorwaarden van kracht. 

Menselijke voeding

Elk bedrijf dat in de voedselketen actief is, moet bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) gekend zijn. Om voedsel of voeders te verhandelen, bereiden, verwerken of verkopen, heeft u van hen een registratie, toelating of zelfs een erkenning nodig.

Biomassa(rest)stromen die worden gebruikt voor menselijke voeding zijn géén organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen.

Als het aangeboden materiaal aan alle relevante regelgeving omtrent voeding voldoet, worden deze reststromen niet beschouwd als afvalstoffen.
Materiaal dat ooit een afvalstatuut heeft gehad, mag nooit in menselijke voeding terecht komen.

Diervoeders

Vele nevenstromen van de voedingsindustrie worden al eeuwenlang gebruikt als diervoeder. Het is een belangrijke en ingeburgerde vorm van afvalpreventie.

Uiteraard moet dit kwaliteitsvol verlopen, om risico’s te voorkomen. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen moet elke schakel in de voederketen kennen en kunnen opvolgen. Om voeders te verhandelen, bereiden, verwerken en verkopen, heeft u van hen een registratie, toelating of zelfs een erkenning nodig.

Als het aangeboden materiaal aan alle relevante diervoederwetgeving voldoet, worden deze reststromen niet beschouwd als afvalstoffen en zijn het dus géén organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen.

Materiaal dat ooit een afvalstatuut heeft gehad, mag nooit in diervoeders terecht komen.

Wat kan niet worden gebruikt:

  • Er bestaat een negatieve lijst die de verboden producten opsomt. Onder andere verpakkingsmateriaal, stadsafval, uitwerpselen en gebruikte frituurvetten staan op deze lijst van verboden producten. Niet alle ingrediënten mogen dus gebruikt worden in diervoeders.
  • De meeste dierlijke bijproducten mogen niet rechtstreeks en onverwerkt in diervoeders van voedselproducerende dieren terechtkomen. Er bestaan hierop enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld voor de productie van rauwe petfood of voor het voederen aan roofdieren. 
  • Keukenafval en etensresten mogen in geen geval rechtstreeks worden gevoederd aan landbouwdieren. Dit geldt zowel voor dieren van particulieren als van bedrijven, ongeacht of het gaat over eigen keukenafval of niet. Enkel aan uw eigen gezelschapsdieren mag u uw eigen keukenafval voederen. De definitie van een gezelschapsdier/landbouwdier gebeurt op soortniveau: een varken, konijn, kip dat u houdt als  gezelschap blijft steeds een landbouwdier en mag dus nooit keukenafval krijgen. Het voederen van dieren met keukenafval wordt afgeraden. Dit kan bijdragen aan de verspreiding van dierziekten. Daarnaast kan keukenafval schadelijke stoffen bevatten. Die kunnen een risico vormen voor de gezondheid van dieren, zoals bleek uit de dioxinecrisis. Ook vanuit voedingsoogpunt is keukenafval geen geschikte keuze. Het gebruik van aangepast dierenvoer is daarom aangewezen.

OVAM kan op geen enkele manier een toelating geven om afvalstoffen te voederen aan dieren.

Meer informatie over de Europese en federale wetgeving op diervoeders vindt u op de website van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).

Farmaceutica

Alle grondstoffen voor de ontwikkeling van medicijnen of andere gezondheidsproducten moeten voldoen aan specifieke regelgeving van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG). Dat Agentschap verzekert de veiligheid en doeltreffendheid van deze producten vanaf hun ontwikkeling tot hun gebruik.

Als het aangeboden materiaal aan alle relevante regelgeving voldoet, worden deze reststromen niet beschouwd als organisch-biologisch afval. 

Bouwstof

 Het is van alle tijden om biologische materialen als bouwstof te gebruiken. Biomassa wordt al eeuwenlang gebruikt voor onder meer constructie (bv. hout), dakbedekking (bv. riet), isolatiemateriaal (bv. wol, stro of schelpen), plaatmateriaal (bv. al dan niet verkleind hout), vloeren (bv. linoleum of kurk) of meubilair.

Het is een hedendaagse trend om lokale en biologische materialen terug ingang te doen vinden als alternatief voor de klassieke bouwmaterialen. Deze biologische bouwmaterialen zoekt men zowel in specifieke teelten als in bestaande reststromen zoals maaisel, koffiegruis, sinaasappelschillen, slib van waterzuivering tot zelfs in dierlijke materialen.

OVAM is bevoegd om het gebruik van afvalstoffen en bijproducten in bouwmaterialen te evalueren. De voorwaarden voor bouwstoffen in de huidige wetgeving zijn echter eerder gericht op anorganische materialen.

Een reststroom is vergelijkbaar met het materiaal dat klassiek voor dit doel wordt gebruikt, als 

  • de afnemer deze reststroom rechtstreeks kan inzetten in zijn productieproces (hij gebruikt bijvoorbeeld al een gelijkaardig proces voor het vervezelen van hout of hennep) zonder dat er vooraf een speciale behandeling moet gebeuren (bijvoorbeeld verwijderen van verpakking of zwerfvuil);
  • het gebruik geen ongunstige effecten heeft op de gezondheid van mens, dier en milieu.

Er is geen grondstofverklaring nodig om dergelijke biologische materialen in of als bouwstoffen te gebruiken. Een zelfbeoordeling volstaat. Deze reststromen worden dan niet beschouwd als afvalstoffen.

Soms moet er vooraf een bijkomende handeling gebeuren die niet karakteristiek is voor het produceren van die specifieke bouwstof. In die gevallen is de biomassa een afvalstof. Er moet dan eerst een recyclagehandeling gebeuren zoals opzuivering of stabilisatie. Pas dan kan de status van de biomassa opnieuw worden geëvalueerd.

Ook als de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing is, moeten de aangeboden biomassastroom en de geproduceerde bouwstof nog steeds voldoen aan alle andere relevante voorschriften voor producten, milieu- en gezondheidsbescherming.

Wanneer biomassa wordt gebruikt in bouwtoepassingen, verdwijnen voedingsstoffen en koolstof uit de biologische kringloop. In het ideale geval zijn biogebaseerde bouw- of interieurmaterialen biologisch recycleerbaar aan het einde van hun levensduur en kunnen we de voedingsstoffen en koolstof terugwinnen. Hier moet een afweging worden gemaakt tussen het terugbrengen van biomassa in de biologische kringloop en de milieu-impact die daarmee gepaard gaat, in vergelijking met de beschikbare alternatieven. Het is daarbij belangrijk om niet alleen te kijken naar de bijdrage aan de kringloop van nutriënten en organische stof, maar ook naar de bredere effecten op het milieu, zoals emissies, energieverbruik, transportafstanden en de vervanging van primaire grondstoffen. De meest duurzame keuze is niet noodzakelijk degene die biomassa terug naar de bodem brengt, maar degene die over de volledige levenscyclus de grootste milieuwinst oplevert.

Bodemverbeterend middel, meststof of teeltsubstraat

Biomassa kan worden gebruikt als bodemverbeterend middel of meststof. Soms kan dat rechtstreeks – denk aan mest – in andere gevallen moet er eerst een hygiënisatie gebeuren.

Soms wordt biomassa niet als bodemverbeterend middel of meststof gebruikt, maar kan het wel verder in de keten terechtkomen, zoals bijvoorbeeld gebruikte teeltsubstraten of bodembedekkers.

Biomassa in of op de bodem kan evenwel een bron van milieuhinder zijn. OVAM is bevoegd om deze hinder te evalueren en voorwaarden op te leggen, uitgezonderd voor mest van vee. Mest van andere diersoorten valt wel onder de bevoegdheid van OVAM.

Om biomassareststromen – bijproducten of afvalstoffen – op of in de bodem te mogen gebruiken is een evaluatie vereist. Deze moet meestal bevestigd worden met een grondstofverklaring. Hiervoor bevat de wetgeving een beoordelingskader.

Sommige materialen houden door hun aard en oorsprong weinig tot geen risico in op vlak van chemische of plastic verontreiniging of schadelijke biologische organismen. Deze materialen zijn opgesomd in de wetgeving. De producent moet zelf kunnen aantonen dat de risico’s onder controle zijn maar moet dit niet laten bevestigen door een formele grondstofverklaring. Voor materialen die niet op deze lijst voorkomen, moet een grondstofverklaring worden aangevraagd. Dit geldt ook als u eigen biomassareststromen op eigen terrein gebruikt.

Compostering en vergisting

Biomassastromen die worden verwerkt in een composterings- of vergistingsinstallatie worden altijd beschouwd als afvalstoffen (uitgezonderd energiegewassen of mest). Door de verwerking van het materiaal veranderen immers de samenstelling en de eigenschappen ervan.

Het aangeleverde materiaal moet voldoen aan het normenkader voor bodemverbeterende middelen (Vlarema bijlage 2.3.1.A), op basis van het verdunningsverbod in het Vlarema.

Mogelijke contaminaties die via het productieproces in de biomassastroom terechtgekomen zijn, moeten altijd worden gerapporteerd aan de afnemer om een inschatting van de risico’s te kunnen maken.

Er bestaan verschillende vormen van compostering en vergisting. Elk soort installatie moet, afhankelijk van zijn inputstromen en procesvoering, aan andere regels voldoen.

Om dierlijke bijproducten zoals keukenafval of voormalige voedingsmiddelen te mogen composteren of vergisten, is een erkenning door OVAM nodig. Die moet specifieke voorwaarden over de hygiënisatie van de eindproducten bevatten.

Composterings- en vergistingsinstallaties moeten werken volgens een kwaliteitsgarantiesysteem en beschikken over een keuringsattest van een erkende certificeringsinstelling. Zonder dit keuringsattest blijven de eindproducten afvalstoffen.

Een uitzondering hierop bestaat voor volgende situaties: 

  • boerderijcompostering van eigen plantaardig materiaal op de boerderij voor gebruik op eigen percelen
  • inrichtingen voor de productie van schorscompost 
  • pocketvergisting op het landbouwbedrijf van bedrijfseigen plantaardige afvalstoffen en mest, met gebruik van het digestaat op eigen percelen

De eindproducten van alternatieve vormen van biologische verwerking, zoals Bokashi, Johnson-Su en andere kleinschalige verwerking blijven een onverwerkt materiaal en dus een afvalstof. Ze mogen dus niet als bodemverbeterend middel gebruikt worden.

Pyrolyse

Biochar is het zeer koolstofrijke eindproduct dat vrijkomt bij de pyrolyse van biomassa. Het is Engels voor ‘biokool’ en wijst op het verkolen van biomassa tijdens het pyrolyseproces. Daarbij ondergaat het materiaal onder hoge temperaturen en bij afwezigheid van zuurstof een thermochemische transformatie. Pyrolyse is dus geen verbranding. Het energie-intensieve proces wordt wel op gang gehouden door de gassen die vrijkomen uit de biomassa (ook wel syngassen genoemd) te verbranden. Het gaat dus om een gedeeltelijke verbranding en een gedeeltelijk materiaalbehoud van de biomassa.

Biochar wordt zowel in de industrie als in de landbouw gezien als een materiaal met vele troeven. Naast een bodemverbeteraar zou het biologisch inerte biochar ook een belangrijke rol kunnen spelen in de klimaatvriendelijke koolstoflandbouw dat ook in Vlaanderen een sterke opmars kent.

Voor biochar afkomstig van biomassareststromen en voor gebruik als bodemverbeterend middel, neemt OVAM volgend standpunt in.

Andere toepassingen

Toepassingen in onder andere de sectoren van textiel, biochemie, kleurstoffen, biobased en/of bioafbreekbare kunststoffen noemen we niet-genormeerde toepassingen.

OVAM heeft voor het gebruik van biomassareststromen in deze – en vele andere – toepassingen geen wettelijke voorwaarden of normen.

De reststroom is vergelijkbaar met het materiaal dat klassiek voor dit doel wordt gebruikt als 

  • de afnemer van de reststroom deze rechtstreeks kan inzetten in zijn productieproces zonder dat er vooraf een speciale behandeling moet gebeuren (verwijderen van verpakking, zwerfvuil …);
  • het gebruik geen ongunstige effecten heeft op de gezondheid van mens, dier en milieu.

Om dergelijke biologische materialen in niet-genormeerde toepassingen te gebruiken, is geen grondstofverklaring vereist. Een zelfbeoordeling volstaat. Deze reststromen worden op basis van de correct uitgevoerde zelfbeoordeling niet beschouwd als afvalstoffen.

Als er wel vooraf een bijkomende handeling nodig is die niet karakteristiek is voor het productieproces van die specifieke toepassing, dan is de biomassa een afvalstof. Er moet dan eerst een recyclagehandeling gebeuren zoals opzuivering of stabilisatie vooraleer de status van de biomassa opnieuw kan worden geëvalueerd.

Ook als de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing is, moet zowel de biomassastroom als het eindproduct nog steeds voldoen aan alle andere relevante voorschriften voor producten, milieu- en gezondheidsbescherming.

Het mag bovendien geen negatief effect hebben op de recyclagemogelijkheden van het product dat met klassieke grondstoffen is gemaakt.

Team Bio

Hebt u een vraag voor dit team? Stel ze hier:

Adres
Stationsstraat 110
2800 Mechelen
Route en bereikbaarheid