Wanneer een risicogrond onderzoeken?

 Periodieke onderzoeksplicht

Wanneer moet de exploitant zijn periodiek oriënterend bodemonderzoek uitvoeren? Door de kwaliteit van de bodem regelmatig te controleren kunt u ingrijpen voor een verontreiniging ernstig wordt. Daaraan komt u tegemoet met de periodieke onderzoeksplicht.


Preventie van bodemverontreiniging loont

Bodemverontreiniging kan de mens, het milieu en onze watervoorraden schaden. Bovendien lopen de kosten van bodemsanering soms hoog op. Hoe eerder een verontreiniging wordt ontdekt, hoe sneller men ze kan aanpakken om zo de kosten te beperken. 

Oriënterend bodemonderzoek

Eén van de manieren om de bodemkwaliteit te onderzoeken is een oriënterend bodemonderzoek. Dit bodemonderzoek wordt volgens de bodemwetgeving uitgevoerd door de exploitant indien hij een risico-inrichting uitbaat.  Risico-inrichtingen zijn fabrieken, werkplaatsen, opslagplaatsen, machines, installaties, toestellen en handelingen die een verhoogd risico op bodemverontreiniging inhouden.  Afhankelijk van de soort risico-inrichting moet de bodemkwaliteit frequenter gecontroleerd worden. 

Ga na of u een periodiek bodemonderzoek moet uitvoeren.

Bent u zelfstandige of exploitant van een bedrijf? Voert u activiteiten uit die de bodem kunnen vervuilen? Dan bent u wellicht verplicht om voor een bepaalde datum en vervolgens periodiek een oriënterend bodemonderzoek te laten uitvoeren. Dit heet de periodieke onderzoeksplicht. 

Of en wanneer u dat moet doen is afhankelijk van de soort risico-inrichting die wordt uitgebaat en wanneer deze activiteiten zijn opgestart. U vindt dit terug via de Vlarem-rubrieken die van toepassing zijn in de milieuvergunning van uw bedrijf. 

Op de milieuvergunning voor uw activiteiten of onderneming, wordt een omschrijving vermeld van activiteiten waarvoor de vergunning van toepassing is. De Vlarem-rubrieken van uw milieuvergunning vergelijkt u met de indelingslijst van de inrichtingen met een verhoogd risico op bodemverontreiniging. Wanneer een letter of Vlarebo-categorie vermeld wordt, geldt er een onderzoeksverplichting. 

Is er op de grond een gedwongen mede-eigendom aanwezig zoals bijvoorbeeld een appartementsgebouw en deze valt onder de bepalingen van artikel 577-2 of 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, dan moet de vereniging van mede-eigenaars die bodemonderzoek uitvoeren indien de inrichting wordt gebruikt door meerdere kavels. Wordt de inrichting slechts gebruikt door 1 kavel, dan is het de exploitant van de betrokken kavel die het oriënterend bodemonderzoek moet uitvoeren.

Afhankelijk van wanneer de activiteiten zijn opgestart vóór of na juni 2015, geldt een andere indelingslijst voor risico-inrichtingen:

  • Opstart risico-inrichting vóór 1 juni 2015 : 

U bepaalt de VLAREBO-categorie van elke risico-inrichting van uw milieuvergunning door deze rubrieken te vergelijken met de activiteiten zoals bepaald in bijlage I van het Vlarebo.   

De inrichtingen met een verhoogd risico op bodemverontreiniging worden ingedeeld in categorieën met de letters O, A of B. 

  • Opstart risico-inrichting vanaf 1 juni 2015: 

U bepaalt de VLAREBO-categorie van elke risico-inrichting van uw milievergunning door deze te vergelijken met de activiteiten zoals bepaald in bijlage I van Vlarem II.  

De inrichtingen met een verhoogd risico op bodemverontreiniging worden ingedeeld in categorieën met de letters O, A, A*, B, B*, al dan niet in combinatie met S. 

Een periodiek bodemonderzoek is verplicht wanneer VLAREBO-categorie A/A* of B/B* van toepassing is 

U bepaalt de strengste categorie die van toepassing is voor de onderzoekslocatie. (Hierbij is B/B* strenger dan A/A* en strenger dan O). Indien de risico-inrichtingen van een exploitatie tot verschillende VLAREBO-categorieën behoren, maar gelegen zijn binnen eenzelfde onderzoekslocatie, gelden de regels voor de categorie met de hoogste onderzoeksfrequentie. 

Let op!  Het is mogelijk dat door uitbreiding van de activiteiten risico-inrichtingen worden geëxploiteerd met verschillende opstartdata voor en na 1 juni 2015. In dat geval bepaalt u eveneens de strengste categorie die geldt voor de risico-inrichtingen voor de onderzoekslocatie. In de praktijk betekent dit dus dat moet gecontroleerd worden of door nieuwe activiteiten of aanvullende vergunningen vanaf 1 juni 2015 een strengere Vlarebo-categorie van toepassing is geworden volgens de recente VLAREM-indelingslijst. Omgekeerd komen de onderzoeksverplichtingen van de bestaande vergunning vóór 1 juni 2015 niet zo maar te vervallen als de vergunning volledig hernieuwd wordt. 

Hoe bepaalt u de termijn voor het indienen van de periodieke onderzoeksplicht?

Om na te gaan wanneer het periodiek bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, kan u best volgende stappen doorlopen:
  • Ga in eerste instantie na wanneer de risico-inrichting is gestart: vóór of na 1 juni 2015
    • Voor 1 juni 2015
    • Na 31 mei 2015
  • Raadpleeg vervolgens onderstaande tabel om te bepalen wanneer het (eerste) periodieke oriënterend bodemonderzoek moet plaatsvinden en ook het volgende periodieke bodemonderzoek.
Responsive Image

Enkele aandachtspunten

  • U heeft geen risico-inrichtingen in exploitatie die vallen onder de categorie A/A*/B/B*, dan heeft u geen periodieke onderzoeksplicht.
  • Behoren uw risico-inrichtingen tot verschillende categorieën, maar zijn ze gelegen op hetzelfde kadastraal perceel of binnen dezelfde onderzoekslocatie? Dan gelden de regels voor de categorie met de hoogste frequentie.
  • Bij vermelding van categorie A*  geldt er enkel een periodieke onderzoeksplicht bij ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse en bovengrondse opslag van gevaarlijke stoffen en dit om de 20 jaar. 
  • Bij vermelding van categorie B* geldt er altijd een periodieke onderzoeksplicht. Een volgend periodiek bodemonderzoek moet uitgevoerd worden om de 10 jaar, tenzij het uitsluitend bovengrondse opslag is dan is het om de 20 jaar.  
  • Werden in het verleden risico-inrichtingen uitgebaat die nu niet meer aanwezig zijn? En liet u voor de stopzetting of sluiting al een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren? Dan moet u die inrichting in het periodiek bodemonderzoek niet meer laten onderzoeken. 
Voor het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek stelt u een bodemsaneringsdeskundige aan.

Er is al een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd?

De datum van het vorige decretaal oriënterend bodemonderzoek geldt als startpunt ter bepaling van de volgende periodieke plicht (+10 of 20 jaar). 

De indieningstermijn is overschreven.

In dit geval is het aangewezen om u zo spoedig mogelijk in regel te stellen. De OVAM treedt via het Milieuhandhavingsdecreet streng op tegenover exploitanten die in gebreke blijven. Het niet nakomen van de periodieke onderzoeksplicht is en milieu-inbreuk. 
Breng ons dus zo snel mogelijk op de hoogte van de termijn voor het alsnog indienen van het bodemonderzoek en de door u gekozen bodemsaneringsdeskundige.
Dit kan door uw gegevens te mailen naarbodem@ovam.be .

Afbakening onderzoekslocatie voor een periodiek bodemonderzoek

Het periodiek bodemonderzoek wordt in bepaalde omstandigheden op een deel van een perceel uitgevoerd. In dat geval spreken we van een exploitatie-onderzoek. Een bodemonderzoek op een deel van het perceel is niet bruikbaar bij een overdracht  van het volledige perceel. . Hierover kan u best uw bodemdeskundige raadplegen.
Voor het afbakenen van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de 
Standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek.
Indien de risico-inrichtingen van een exploitatie tot verschillende VLAREBO-categorieën behoren, maar gelegen zijn in eenzelfde onderzoekslocatie, gelden de regels voor de categorie met de hoogste frequentie. Binnen deze afgebakende zone moeten telkens alle potentiële verontreinigingsbronnen behorende tot de exploitatie worden onderzocht. Op een groot perceel kunnen er mogelijk meerdere onderzoekslocaties worden afgebakend met een verschillende periodiciteit. 
Indien de exploitatie zich op meerdere percelen situeert kan men de periodieke onderzoeksplicht en de overeenkomstige afbakening in principe per perceel bekijken, maar in de praktijk zijn niet alle risico-inrichtingen duidelijk toe te wijzen aan 1 perceel. Uitgezonderd de opslag van gevaarlijke stoffen, behoren andere inrichtingen veeleer tot de milieutechnische eenheid gesitueerd over de verschillende percelen. Daarnaast moeten ook de lozingspunten en andere potentiële verontreinigingsbronnen die buiten de onderzoekslocatie gesitueerd zijn, maar verbonden zijn aan de exploitatie, onderzocht worden.

Ik heb recent van OVAM een brief ontvangen ivm de uitvoering van een periodiek oriënterend bodemonderzoek. Hoe hierop reageren?

In de betrokken brief geeft de OVAM aan dat u als exploitant dient over te gaan tot het uitvoeren van het betrokken periodiek oriênterend bodemonderzoek. Er wordt gevraagd om te reageren op dit schrijven. Dit kan via dit antwoordformulier waarbij u kan aangeven dat  u:
  • een bodemsaneringsdeskundige aanstelt voor de uitvoering van dit oriënterend bodemonderzoek
  • meent dat de gegevens foutief zijn. Bijvoorbeeld: dat u niet de exploitant bent, dat de betrokken activiteiten reeds zijn gestopt.

Team klantenbeheer - bodem