Vakinformatie over het asbestattest

Veelgestelde vragen vakinformatie

Inspectiegebied

Mag de asbestdeskundige bij de verkoop van een appartementsgebouw met 10 appartementen, dat in één keer overgedragen wordt van één eigenaar/verkoper naar één nieuwe eigenaar/koper, alles opnemen in één attest?

Neen, de asbestdeskundig mag niet alle appartementen opnemen in 1 asbestattest, want er mag maximum één wooneenheid opgenomen worden in één attest. Een appartement komt overeen met een wooneenheid. Er moeten dus minstens 10 attesten opgesteld worden voor de 10 individuele appartementen. Het attest voor de gemeenschappelijke delen moet pas opgesteld worden bij een verkoop vanaf 1 mei 2025 of uiterlijk op 31 december 2031. Het mag uiteraard ook nu al opgesteld worden. Als de eigenaar beschikt over een asbestattest moet die een kopie van het attest overhandigen aan de huurder.
 

Inspectieprotocol - materialen

Hoe moeten we omgaan met asbestvrije materialen?

Indien een asbestdeskundige een materiaal vaststelt met het productnormopschrift ‘NT’, mag hij dit materiaal beschouwen als niet-asbestverdacht.

Aandachtspunt: De asbestdeskundige is in dergelijk geval zelf verantwoordelijk voor zijn eigen bepaling of hij een volledige toepassing of slechts enkele deelmaterialen beschouwt als niet-asbestverdacht, bv. als het opschrift ‘NT’ niet op alle onderdelen van de toepassing vermeld is (bv. een dak met meerdere golfplaten, een nokstuk, een dakrand, een ingebouwd verluchtingsrooster,…).

Indien een asbestdeskundige het opschrift ‘NT’ enkel vaststelt in een bewijsdocument, dient hij zelf de bruikbaarheid van deze bron na te gaan.

Onder welk van de doelstelling dienen we een ‘crepi-pleisterlaag’ te plaatsen?

Op de databank wordt als asbesttoepassing ‘crepi’ gekozen, indien het gaat om crepi of pleisterwerk aan buitenschil.  ‘Pleisterwerk’ wordt gekozen indien het gaat om crepi of pleisterwerk aan binnenstructuur. 

Onder welke doelstelling vallen Glasal-panelen en asbestcementpanelen (blokken als wanddeel)?

De scope asbestcement in de buitenschil als onderdeel van de mijlpaal 2034 is ingegeven door de in de literatuur beschreven verweringsproblematiek: alle dak- en gevelbekledingen, dakgoten, rookgaskanalen en hemelwaterafvoerkanalen bestaande uit asbestcement als ze zich aan de buitenzijde bevinden. Glasalpanelen zijn niet onderhevig aan deze verweringsproblematiek vermits ze bedekt zijn door een harde, geëmailleerde laag.

Glasalpanelen zijn bovendien niet echt te categoriseren als gevelbekleding maar als wanddeel zelf. Om die redenen vallen glasalpanelen niet onder de mijlpaal 2034. Bevinden ze zich toch in een slechte staat (niet-laag risico) dan vallen ze onder mijlpaal 2040. In tegenstelling tot Glasalpanelen zijn structurele asbestcementpanelen wel onderhevig aan de verweringsproblematiek. Ze zijn echter net als Glasalpanelen niet echt te categoriseren als gevelbekleding maar als wanddeel zelf. De verwijdering ervan heeft dus een grotere impact op de constructies dan de verwijdering van gevelbekleding. Daarom vallen dergelijke panelen niet onder de mijlpaal 2034 maar in voorkomend geval onder de mijlpaal 2040

Wordt tegellijm beschouwd als een niet-hechtgebonden toepassing?

Het Materialendecreet vermeldt volgende definitie voor hechtgebonden asbesthoudende materialen: asbesthoudende materialen waarin de asbestvezels in oorsprong sterk gebonden zijn door een bindmiddel dat hoofdzakelijk bestaat uit cement, bitumen, mastiek, kunststof of lijm.

Anderzijds vermeldt het Ministerieel besluit Inspectieprotocol dat een asbestdeskundige verantwoordelijk is voor de bepaling van het bindmiddel, op basis van eigen plaatsbezoek en monstername en mogelijk ook het analyserapport van het asbestlabo.

Tegellijm, bedoeld om faiencetegels te bevestigen aan een drager, is een relatief nieuw gegeven in de asbestsector. Het materiaal wordt ook beschouwd als asbestverdacht. Deze tegellijm bestaat normaliter hoofdzakelijk uit cement, vaak in combinatie met gips of zand. Door toevoeging van water wordt het tegellijmpoeder kleverig. Met deze substantie worden de tegels aan de drager bevestigd. Later droogt de tegellijm uit. Dit uitgedroogde smeersel is vaak eerder brokkelig en poreus qua textuur, de kleverigheid of viscositeit verdwijnt nagenoeg.

Er kan gesteld worden dat de tegellijm dus als bindmiddel cement-gips bevat, met cement als hoofdzakelijk element. Toch kan de asbestdeskundige opmerken dat het materiaal in oorsprong (vanaf het moment dat het is uitgedroogd) niet voldoende sterk gebonden is om het te beschouwen als hechtgebonden. Een parallel proces merken we op bij pleisterwerk, waar de gipsmatrix ook eerst kleverig of papperig is tijdens het aanbrengen op de drager en later uitdroogt. In beide gevallen moeten we dus de kleverige fase zien als onderdeel van het productieproces, hier in situ bewerkstelligd.

Het is dus aan de asbestdeskundige om het bindmiddel te bepalen. Indien hij merkt dat de tegellijm bestaat uit cement, maar dat door de relatief grote aanwezigheid van zand en gips de matrix in oorsprong eerder niet sterk gebonden is, kan hij op de databank opteren voor ‘Andere’ bij bindmiddel. De asbestdeskundige kan er bv. ‘cement-gips’ noteren en kiezen voor de status van ‘niet-hechtgebonden’.

De zwarte lijm om vinyl(tegels) mee vast te kleven, heeft een andere samenstelling, bv. hars of kunststof, en is dus kleverig (hechtgebonden) in oorsprong, met lijm als hoofdzakelijk bindmiddel. Als je ‘lijm’ kiest als bindmiddel op de databank, wordt automatisch de link gelegd met ‘hechtgebonden’. Hetzelfde geldt voor bindmiddel ‘cement’.

Parallel met vinyltegels en zwarte lijm wordt, zoals in de case op de databank beschreven, ‘niet eenvoudig bereikbaar’ aangeduid als de asbestdeskundige bv. tegellijm kan vaststellen bij een bestaande beschadiging of opening in de met tegels bezette muur (of andere drager).

Waarom staan dekstenen niet in het lijstje van AC dak- en gevelbekledingen die automatisch als niet-asbestveilig worden beschouwd?

Dekstenen zijn apart aan te duiden en vallen niet automatisch onder de mijlpaal 2034. Vooral vanwege het formaat van dekstenen werd deze keuze gemaakt. Dekstenen zijn dikker dan bv. golfplaten en leien en eroderen relatief gezien en gemiddeld genomen minder snel.

Wanneer maak ik een afdruipzonefiche?

Een afdruipzonefiche wordt enkel opgesteld indien de combinatie asbestcementdak of asbestcementgevel met bodem wordt vastgesteld. Hiermee wordt de dak- en gevelbekleding bedoeld, die valt onder de mijlpaal 2034. Wandplaten (blokken) die in se een muur vormen en dekstenen horen daar niet onder, noch opgeslagen golfplaten in het gras. Komt de afdruip op een terras, dan geldt ook niet de afdruipzonefiche. De afdruip moet rechtstreeks op de bodem terechtkomen. 

Moeten we echt alle pleisterwerk van na 1980 en vóór 2001 steeds gaan beschouwen als asbestverdacht, ondanks het verbod sinds 1980 op manuele behandeling van asbest in vrije toestand?

Vaak werden na de verbodsdatum voor het gebruik van (bepaalde) asbesthoudende materialen/vezels toch nog stocks opgebruikt. Om die reden is pleisterwerk en crepi asbestverdacht, ook diegene aangebracht tussen 1980 en 2001. Er zijn gevallen bekend van asbesthoudend pleisterwerk en crepi in deze periode, in gebouwen met diverse functies. Het asbestattest zal het asbestpassief in Vlaanderen beter in kaart brengen. Mogelijk brengt dit ook verduidelijkingen en trends met zich mee omtrent het historische gebruik van asbestvezels in pleisterwerk en crepi.

Waarom is bijkomende info geven over materialen die na analyse niet asbesthoudend blijken te zijn, nodig?

Sinds de laatste update moet u ook voor materialen die na analyse niet asbesthoudend blijken te zijn toch bepaalde informatie te geven zoals de oppervlakte, lengte, … 
Dit werd ingebouwd om de kwaliteitscontroles te ondersteunen. Zo kan via de databank eenvoudiger worden nagaan of de ADI wel voldoende monsters genomen heeft.
 

Inspectieprotocol - onderzoeksmethode

Vallen kruipkelders onder de permanente onderzoeksbeperking wegens lager dan 1,50m?

De termen ‘kruipruimte’ of ‘kruipkelder’ en de hoogtes die ermee zijn geassocieerd, zijn niet absoluut. Het betreft veelal een (lage) ruimte onder een vloer t.h.v. een kelder of een compacte videruimte boven een plafond. Een exacte hoogte voor deze ruimtes is niet gedefinieerd. Om dit op te vangen, heeft het IP het eerder algemeen over ruimtes met een hoogte < 1,50 m.

Een kruipkelder die lager is dan 1,50m valt dus onder de permanente onderzoeksbeperking. 

Gebruik van de inventarisdatabank – problemen en foutmeldingen 

Geen nieuw asbestattest kunnen aanmaken voor het andere deel van het gebouw?

Indien een gebouw slechts gedeeltelijk wordt onderzocht is het noodzakelijk dat de asbestdeskundige in de toepassing aangeeft dat het om een gedeeltelijk gebouw gaat.

Hoe nagaan ?

De asbestdeskundige moet bij de keuze gedeeltelijk of volledig gebouw kijken naar de GIS kaart. Indien de asbestdeskundige het gebouw selecteert wordt dit in het blauw opgelicht. Nu moet de asbestdeskundige nagaan of het volledige ingekleurde gebouw in zijn asbestinventaris zal worden wordt beschreven. Indien slechts een deel van het gebouw wordt beschreven duidt de asbestdeskundige “gedeeltelijk gebouw” aan in de toepassing.  Vervolgens moet de asbestdeskundige de gebouwdelen beschrijven. Dit doet de asbestdeskundige door het gebouwdeel te benoemen en een beschrijving te geven van het geïnspecteerde gebied. De asbestdeskundige moet ook een plan en een situeringsfoto opladen. Deze beschrijvingen zijn noodzakelijk zodat andere asbestdeskundigen kunnen nagaan welke delen van het gebouw reeds zijn onderzocht.

Fouten bij verkeerde selectie:

Indien een asbestdeskundige een volledig gebouw selecteert maar de asbestdeskundige beschrijft maar een deel van het gebouw in de asbestinventaris dan kan een volgende asbestdeskundige geen nieuw asbestattest aanmaken voor het andere deel van het gebouw.  

Wat nu ?

Indien een asbestdeskundige geblokkeerd is moet hij dit melden aan de CI. De CI zal vervolgens contact opnemen met de asbestdeskundige die de foute selectie heeft gedaan. De asbestdeskundige zal het asbestattest moeten corrigeren of indien de periode van één maand is verstreken zal de asbestdeskundige een update van het bestaand asbestattest moeten doorvoeren.

Wanneer maak ik een aparte bronfiche en wanneer kan ik materialen bundelen in één bronfiche?

Deze informatie is terug te vinden in de leidraadfiche richtlijnen bronfiche

Met welk formaat neem ik foto's voor opname in de databank?

De in het document voorziene placeholders hebben een 3:4 aspect ratio.  Idealiter wordt de camera ingesteld op verhouding 3:4 en worden alle foto's in landscape  (liggend) formaat getrokken. 
Zie hieronder: Overzichtsfoto links is genomen met de camera op 3:4, detailfoto rechts is genomen met de camera op 9:16. Zoals je ziet vult de overzichtsfoto mooi op, terwijl je bij de detailfoto witrulmtes krijgt boven en onder. Alle placeholders voor foto's hebben een 3:4 verhouding, met uitzondering van de plannen. Die zijn gewoon ruim genomen en daar wordt toch niet altijd witruimte aan toegevoegd, enkel wanneer het niet anders kan. 


 

Wanneer maak ik een 'plan'?

Het Inspectieprotocol legt op dat plannen en foto’s leesbaar moeten zijn. 

Bij voorkeur wordt een plan opgemaakt per verdieping per gebouw. Maar in functie van de leesbaarheid kunnen er meerdere plannen aangemaakt worden voor een verdieping. Als er teveel fiches (asbestmaterialen) zijn aangeduid op een plan, kan dit de leesbaarheid beperken, en kan de deskundige dus een apart plan te maken voor bv.:

  • Gebouw A, verd. +0: schrijnwerk
  • Gebouw A, verd. +0: vloeren
  • Gebouw A, verd. +0: wanden
  • Gebouw A, verd. +0: leidingisolatie

De asbestmaterialen zelf moeten ook leesbaar aangeduid zijn op het plan

  • Bv. een lijntraject tekenen (door verschillende lokalen) voor een buis, koker of leidingisolatie (ook indien niet-asbesthoudend)
  • Bv. een oppervlakte tekenen voor een vloerlaag, dakbedekking of plafond (ook indien niet-asbesthoudend)
  • Bv. verschillende monsternamepunten van een mengmonster aanduiden (ook indien niet-asbesthoudend)
     
Er deed zich een fout voor: het synchroniseren is mislukt.

Betekenis: Deze foutmelding komt meestal voor wanneer je offline of bij slechte verbinding wijzigingen aan een fiche uitgevoerd hebt gelijktijdig met een andere gebruiker. Op het moment dat de verbinding weer werkt stelt het systeem vast dat er al wijzigingen uitgevoerd zijn. De door jou aangepaste gegevens kunnen dan niet automatisch gesynchroniseerd worden. 


 

Oplossing: Maak de wachtrij rechts bovenaan leeg en verwijder alle offline acties.

1. Klik daarvoor rechts bovenaan op het icoontje 


 

2. Klik dan op “Verwijder alle offline acties” 


 

 

 

Melding: Je hebt niet de juiste rechten om als deskundige verder te gaan.

Betekenis: Deze melding zal verschijnen wanneer men aanmeldt onder eigen naam en voornaam. 

Oplossing: Meld u steeds aan bij het bedrijf waarvoor u werkt.  

 

 

Waarom vermeldt het asbestattest (nog) geen afdruipzone?

Asbestdeskundigen kunnen de aanwezigheid van een afdruipzone in de bodem ingeven in de databank. Voorlopig worden die gegevens niet opgenomen in een asbestattest.

De grote kans op aanwezigheid van een afdruipzone langs verweerde asbestcementen dak- en gevelbekleding is uitvoerig gedocumenteerd in bodemonderzoeken en studies. Wat nog onvoldoende bestudeerd is, is het effectieve blootstellingsrisico dat al dan niet uitgaat van een afdruipzone. Wat is de kans op het vrijkomen van asbestvezels? Wat is het gedrag van de asbestcementdeeltjes in de bodem?

Daarom laat de OVAM eerst verder onderzoeken wat de effectieve blootstellingsrisico’s zijn. Op basis van dit onderzoek kunnen we het juiste beleid uitstippelen en de juiste beheersmaatregelen en adviezen opnemen in de asbestattesten.

Ik vind nergens mijn facturen terug voor de betaling van de retributie.

U vindt de facturen terug via de asbestinventarisdatabank. Enkel personen met de rol ‘asbestinventaris medewerker’ in gebruikersbeheer Vlaanderen (ACM/IDM) kunnen de facturen raadplegen. Bedrijven (ook éénmanszaken) kennen iemand binnen het bedrijf die rol toe in ACM/IDM. Eenmaal deze persoon het juiste gebruiksrecht heeft gekregen, ziet die een extra tab ‘facturatie’ in de inventaristoepassing. Via deze tab kan de medewerker de facturen raadplegen.


 

Om de facturen te kunnen inzien moet u in gebruikersbeheer Vlaanderen (ACM/IDM) het gebruikersrecht ‘asbestinventaris medewerker’ krijgen in het veld ‘Context’ zoals is aangegeven in de figuur hieronder.


 

U vindt de handleiding om deze rol toe te kennen op onze pagina met vakinformatie 

Hoe kan ik een gefinaliseerde asbestinventaris corrigeren?

U kan een bestaande asbestinventaris corrigeren zonder een bijkomende retributie te moeten betalen. Dit kan enkel binnen de 30 dagen na het finaliseren van de inventaris.

Lees hier de handleiding

Gebruik van de databank bij slechte internetverbinding (of offline)

De databank beschikt niet over de functionaliteit om volledig offline een asbestattest op te maken. Ze ondersteunt wel de continuïteit bij de opmaak indien de internetverbinding tijdelijk wegvalt, bijvoorbeeld in een ondergrondse ruimte. 

Opgelet, we raden af om met meerdere deskundigen tegelijk in dezelfde fiches of plannen te werken bij een slechte verbinding. Dit kan leiden tot conflicten waardoor de wachtrij vast komt te zitten en werk verloren kan gaan. Bij de vakinformatie over het asbestattest voegden we een nieuwe handleiding toe om correct te werken bij een slechte internetverbinding.

Foutieve keuze in het veld ‘(asbest)toepassing’

Het aanduiden van het verkeerde item in het keuzemenu ‘(asbest)toepassing’ in bv. een bronfiche, kan grote gevolgen hebben. Bepaalde asbesttoepassingen krijgen namelijk automatisch het label ‘niet-asbestveilig’ en de mijlpaal 2034, ongeacht de toestand. We denken daarbij aan ‘dak- en gevelbekleding: golfplaten’. 

Indien een ADI hierbij foutief ‘golfplaten’ aanduidt onder het thema ‘verloren bekisting’, maakt de databank deze automatische link dus niet. Bijgevolg kan een asbestattest een foutieve eindconclusie bevatten.